Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
In particular, [A],
inter alia, received approval from the SARB to retain the capital raised in the foreign market in foreign currency for a period of nine months from the date of the (…) “Private Placement Approval” (…)
US$ 165,000,000 (funded by way of the private placement funds);
inter alia, Russia and Europe.
3.Geschil in hoger beroep
4.Beoordeling van het geschil
Nu de Hoge Raad in rov. 4.2.2 van het arrest BNB 2013/137 in algemene zin heeft overwogen dat met het tweede lid van artikel 10a van de Wet “wordt beoogd tegen te gaan dat door middel van rente die is verschuldigd op een geldlening die willekeurig en zonder bedrijfseconomische redenen is aangegaan de Nederlandse belastinggrondslag wordt geërodeerd”, ziet het Hof bovendien in dit arrest veeleer een bevestiging van de juistheid van het oordeel dat de “dubbele” zakelijkheidstoets van het derde lid, onderdeel a, van de Wet naar tekst en strekking betrekking heeft op alle in het tweede lid genoemde rechtshandelin-gen.
Voor zover de van [D] Ltd geleende gelden afkomstig zijn uit ‘eigen’ middelen van [C] Ltd (dividenden en opbrengsten van intragroepsleningen) verwijst het Hof naar hetgeen hierna wordt overwogen.
In zoverre vormt de uitlating een “vrijhaven” voor de aftrek van met die dividenden/rente en aflossing verband houdende rente en valutaverliezen en kunnen belanghebbenden geacht worden het vereiste tegenbewijs te hebben geleverd.
5.Kosten
6.Beslissing
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, behoudens de beslissingen inzake proceskosten en griffierecht;
- verklaart het beroep van belanghebbende sub 1 gegrond;
- vernietigt de uitspraak op het bezwaar van belanghebbende sub 1;
- stelt het verlies van belanghebbende sub 1 vast op USD 10.198.025;
- verklaart het beroep van belanghebbende sub 2 gegrond;
- vernietigt de uitspraak op het bezwaar van belanghebbende sub 2;
- stelt het verlies van belanghebbende sub 2 vast op € 34.160.431;
- veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van proceskosten ten bedrage van € 1.770 waarvan € 885 toekomt aan belanghebbende sub 1 en € 885 aan belanghebbende sub 2.