Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
[adres object])
[zijstraat 2] in [P],
Property;
EUR [bedrag].
€ [bedrag]+
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende heeft op 1 juli 2010 een kantorencomplex en het daarbij behorende erfpachtrecht verkregen door levering. De vraag was of deze levering viel onder de vrijstelling van overdrachtsbelasting op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR), dan wel dat sprake was van een levering van een nieuw vervaardigd goed of bouwterrein, waardoor omzetbelasting verschuldigd zou zijn.
Het hof stelde vast dat er geen sprake was van een samenstel van handelingen die als één levering van een nieuw vervaardigd goed konden worden aangemerkt. De verbouwingswerkzaamheden waren niet overeengekomen tussen verkoper en koper en vonden plaats na de levering, in opdracht van belanghebbende. De levering betrof derhalve een bestaand onroerend goed, zonder omzetbelastingplicht.
Het hof verwierp ook het beroep op jurisprudentie van het Hof van Justitie over samenhangende handelingen en de levering van nieuw vervaardigde goederen, omdat de feiten en intenties van partijen niet overeenkwamen met die situaties. Ook het beroep op artikel 12 van Pro de BTW-richtlijn werd afgewezen, aangezien Nederland geen aanwijzing heeft gedaan voor belaste prestaties bij incidentele leveringen.
De conclusie is dat belanghebbende terecht overdrachtsbelasting heeft voldaan en dat het hoger beroep ongegrond is, waarmee de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat de levering een levering van bestaand onroerend goed betreft en dat overdrachtsbelasting terecht is voldaan.