Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[geïntimeerde sub 1],
[geïntimeerde sub 2],
Gerechtshof Amsterdam
De zaak betreft een geschil over achterstallige huurindexering van twee woningen die sinds 1997 door de geïntimeerden worden gehuurd. De verhuurder vordert betaling van de niet-betaalde geïndexeerde huurpenningen over de periode tot augustus 2008, vermeerderd met wettelijke rente. De huurders betwisten de verschuldigdheid van de indexering en beroepen zich onder meer op verjaring.
De kantonrechter oordeelde aanvankelijk dat de huurders mochten aannemen dat de verhuurder pas aanspraak zou maken op indexering vanaf het moment van herontwikkeling van het pand, en wees de vordering grotendeels af. Het hof stelt echter vast dat de schriftelijke afspraken en getuigenverklaringen duidelijk maken dat de huurders op de hoogte waren van de verplichting tot indexering en dat de mede-eigenaar niet bevoegd was om afstand te doen van de reeds vervallen indexeringen.
Het hof vernietigt het vonnis van de kantonrechter en veroordeelt de huurders hoofdelijk tot betaling van € 11.973,25 aan achterstallige huurpenningen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 10 maart 2010, alsmede in de proceskosten van beide instanties. De vordering van de verhuurder wordt daarmee volledig toegewezen.
Uitkomst: Huurders worden veroordeeld tot betaling van € 11.973,25 achterstallige huurindexering met rente en proceskosten.