Uitspraak
Onderzoek van de zaak
31 januari 2013, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Gerechtshof Amsterdam
Op 11 juli 2011 vond een inbraak plaats in een geparkeerde personenauto te Amsterdam waarbij diverse goederen werden weggenomen. Verdachte werd aangehouden op basis van een kenteken van een scooter die mogelijk betrokken was bij de inbraak. De politie baseerde zich op een getuigenverklaring over het kenteken, dat later door verbalisanten werd aangepast, wat leidde tot een gerichte zoekactie.
Tijdens het hoger beroep stelde de verdediging dat het bewijs onvoldoende was om verdachte te verbinden aan de inbraak, omdat het kenteken waarop werd gezocht speculatief was en verdachte niet als bestuurder van de scooter was gezien. Het hof concludeerde dat het niet met voldoende zekerheid vaststaat dat de scooter die betrokken was bij de inbraak aan verdachte toebehoorde en dat verdachte niet als bestuurder is waargenomen.
Daarom werd verdachte vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten. Tevens werd de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard, omdat verdachte niet schuldig werd bevonden aan de inbraak.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van betrokkenheid bij de auto-inbraak.