Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil in hoger beroep
De inspecteur betwist deze beslissing; belanghebbende acht haar terecht.
4.Beoordeling van het geschil
De op basis van artikel 3, tweede lid, AWR in hoofdstuk 3 Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 gestelde ressorteringsregels doen daaraan naar 's Hofs oordeel niet af.
De inspecteur stelt zich in dit verband op het standpunt dat het schip tot de onderneming van [D] behoort; belanghebbende houdt staande dat het schip tot de onderneming van [B] behoort.
Met name heeft belanghebbende geen onderbouwing gegeven voor zijn (blote) stellingen dat [B] het technische en het commerciële management over het schip voerde. Voor zijn door de inspecteur reeds in eerste aanleg betwiste en verder niet gemotiveerde stelling dat [B] ter zake van het schip een bevrachtingsovereenkomst met [F]GmbH zou hebben gesloten, heeft belanghebbende ook in hoger beroep geen bewijs bijgebracht, hoewel het op zijn weg heeft gelegen het bestaan van die overeenkomst aannemelijk te maken.
5.Kosten
6.Beslissing
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank behoudens de beslissingen inzake de proceskostenvergoeding en het griffierecht, en
- verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.