ECLI:NL:GHAMS:2012:BX3152
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake kennelijk onredelijk ontslag en gevolgencriterium bij IBM
Appellant, sinds 1975 in dienst bij IBM, werd geconfronteerd met het vervallen van zijn functie in 2008 en meldde zich ziek kort daarna. Na diverse pogingen tot mediation en overleg, waaronder een extern mediationtraject, vroeg IBM ontslagvergunning aan wegens een verstoorde arbeidsrelatie, welke door UWV werd verleend. Appellant stelde dat het ontslag kennelijk onredelijk was vanwege zijn lange dienstverband, leeftijd en slechte kansen op de arbeidsmarkt.
De kantonrechter wees de vorderingen van appellant af, stellende dat IBM zich als goed werkgever had gedragen, voldoende inspanningen had verricht voor herplaatsing en dat de gevolgen van het ontslag niet te ernstig waren in verhouding tot de belangen van IBM. In hoger beroep werden deze conclusies bevestigd. Het hof oordeelde dat appellant onvoldoende concrete feiten en omstandigheden had gesteld om het ontslag als kennelijk onredelijk te kwalificeren.
Het hof benadrukte dat het enkele feit van het ontbreken van een ontslagvergoeding niet automatisch leidt tot kennelijke onredelijkheid en dat IBM zich voldoende had ingespannen om appellant tegemoet te komen. De vorderingen tot schadevergoeding en proceskosten werden afgewezen en het vonnis van de kantonrechter werd bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en wijst het hoger beroep af wegens ontbreken van kennelijke onredelijkheid van het ontslag.