ECLI:NL:GHAMS:2012:BW7819
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Gerechtshof bevestigt niet-kennisneming en bevoegdheid tot restitutievordering na echtscheiding bij aandelenlease
In deze zaak stond centraal of geïntimeerde reeds vóór 18 mei 2003 op de hoogte was van twee aandelenleaseovereenkomsten die haar ex-echtgenoot had gesloten. Dexia voerde aan dat geïntimeerde al langer bekend was met deze overeenkomsten, wat verjaring zou uitsluiten. Het hof heeft getuigen gehoord, waaronder geïntimeerde en haar ex-echtgenoot, en concludeerde dat er geen bewijs was dat geïntimeerde vóór genoemde datum daadwerkelijk op de hoogte was.
Daarnaast speelde de vraag of de echtscheiding invloed had op de bevoegdheid van geïntimeerde om de restitutievordering in te stellen. Het hof oordeelde dat het einde van het huwelijk geen invloed heeft op deze bevoegdheid, zoals bepaald in artikel 1:89 BW Pro. Ook de wijze waarop partijen de gemeenschap van goederen hadden gescheiden, veranderde hier niets aan.
De eis van geïntimeerde werd in hoger beroep aangepast om duidelijk te maken dat de terug te betalen gelden door haar ex-echtgenoot waren betaald en dat een bewijs van kwijting werd verlangd. Het hof vond dit niet bezwaarlijk en bekrachtigde het vonnis van de rechtbank Amsterdam. Dexia werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en veroordeelt Dexia tot betaling en kosten, oordeelt dat geïntimeerde niet eerder op de hoogte was en bevoegd is tot restitutievordering.