ECLI:NL:GHAMS:2012:BW6758
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van drempelbedrag bij berekening middelingsteruggaaf inkomstenbelasting
Belanghebbende verzocht om teruggaaf van belasting over de jaren 2005 tot en met 2007 op grond van middeling. De inspecteur stelde een middelingsteruggaaf van € 251 vast, waarbij een drempelbedrag van € 545 in mindering was gebracht. Belanghebbende betwistte deze toepassing van de drempel en stelde dat het gehele verschil tussen geheven belasting en herrekende belasting teruggegeven moet worden indien dit verschil groter is dan € 545.
Het Hof oordeelde dat artikel 3.154, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 duidelijk voorschrijft dat de middelingsteruggaaf het verschil tussen geheven en herrekende belasting betreft, verminderd met een drempelbedrag van € 545. Deze uitleg wordt ondersteund door de parlementaire geschiedenis van de voorganger van dit artikel. Het standpunt van belanghebbende dat het gehele bedrag teruggegeven moet worden indien het verschil groter is dan de drempel, werd verworpen.
Verder oordeelde het Hof dat er geen feiten of omstandigheden zijn die doen vermoeden dat de inspecteur onzorgvuldig of onrechtmatig heeft gehandeld bij het toepassen van de drempel. Ook werd geoordeeld dat de wettelijke bepaling niet in strijd is met het EVRM of andere internationale verdragen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de middelingsteruggaaf met aftrek van de drempel van € 545 wordt bevestigd.