ECLI:NL:GHAMS:2012:BW4482
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep wegens onttrekking minderjarige aan wettig gezag vader
De zaak betreft een hoger beroep tegen een veroordeling wegens het niet naleven van een omgangsregeling en het opzettelijk onttrekken van een minderjarige zoon aan het wettig gezag van de vader. Na echtscheiding bleef het gezag over de twee minderjarige zonen bij beide ouders berusten, waarbij de verdachte belast bleef met de dagelijkse verzorging. Een omgangsregeling werd vastgesteld en bekrachtigd, maar de verdachte heeft deze naar het oordeel van het hof niet steeds correct uitgevoerd.
Het hof stelt vast dat onvoldoende bewijs is voor opzet ten aanzien van de oudere zoon, die structureel contact met zijn vader weigerde. Wel is bewezen dat de verdachte de jongere zoon, die toen onder de twaalf jaar was, meermalen onttrok aan het gezag van de vader door hem niet af te geven conform de omgangsregeling. De verdachte handelde daarbij naar eigen zeggen in het belang van het kind, dat niet altijd wilde meewerken.
Hoewel het bewezen is dat de verdachte het wettig gezag heeft geschonden, oordeelt het hof dat de omstandigheden, waaronder de conflictueuze relatie tussen ouders en het belang van het kind, maken dat geen straf wordt opgelegd. Het hof vernietigt het eerdere vonnis en spreekt de verdachte vrij voor het niet bewezen verklaarde, verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en strafbaar, maar legt geen straf of maatregel op.
Uitkomst: Verdachte is schuldig aan onttrekking minderjarige maar er wordt geen straf opgelegd.