ECLI:NL:GHAMS:2012:BW3329
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- A.P.M. van Rijn
- J.P.A. Boersma
- J.P. Kruimel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging berekening successierechten bij fideï-commissaire making
In deze zaak staat de berekening van successierechten centraal die voortvloeien uit een fideï-commissaire making in het testament van de overleden erflater. De belanghebbenden, kinderen van de erflater, betwistten de door de inspecteur vastgestelde aanslagen over de verkrijging van vermogen in 1999 en de vrijval van het fideï-commis vermogen in 2007.
De rechtbank had geoordeeld dat de verkrijgingen in 1999 en 2007 als één verkrijging moeten worden beschouwd voor de toepassing van de Successiewet 1956. De rechtbank oordeelde dat de aanslagen correct waren berekend door het totale vermogen te belasten volgens het progressieve tarief en eenmalige toepassing van vrijstellingen, waarbij rekening werd gehouden met de reeds betaalde successierechten in 1999.
Het Gerechtshof Amsterdam bevestigt dit oordeel en benadrukt dat de wet geen aparte heffing voor de afzonderlijke verkrijgingen voorschrijft. Het hof wijst erop dat de overgang van vermogen in twee delen uit dezelfde nalatenschap één verkrijging vormt, en dat de berekeningswijze van de inspecteur recht doet aan de wettelijke bepalingen en het progressieve karakter van het tarief.
De rechtbank en het hof wijzen ook op het ontbreken van beleidsregels die een andere berekening rechtvaardigen en verwerpen het standpunt van de belanghebbenden dat er twee afzonderlijke verkrijgingen zouden zijn. Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De kostenveroordeling wordt achterwege gelaten omdat het hof geen gronden ziet voor een veroordeling op grond van de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat de aanslagen successierecht correct zijn berekend als één verkrijging met progressief tarief en eenmalige vrijstellingen.