ECLI:NL:GHAMS:2012:BW2066
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- R.H. de Bock
- W.J. Noordhuizen
- C.C. Meijer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van geldleningsovereenkomsten ondanks vernietigingsverzoek ex-echtgenote
In deze civiele zaak stond centraal of de overeenkomsten tussen appellant en geïntimeerde als geldlening of borgtocht moesten worden gekwalificeerd. Geïntimeerde had twee geldleningsovereenkomsten gesloten met appellant en Geto Export B.V., waarbij appellant als schuldenaar werd genoemd. De ex-echtgenote van appellant had de overeenkomsten vernietigd op grond van het toestemmingsvereiste uit artikel 1:88 lid 1 sub c BW Pro.
De rechtbank had de vordering van geïntimeerde grotendeels toegewezen, waarbij werd geoordeeld dat de overeenkomsten ook jegens appellant als geldlening kwalificeren en dat het toestemmingsvereiste niet van toepassing was. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij slechts borg of hoofdelijk medeschuldenaar was en dat de vernietiging door zijn ex-echtgenote rechtsgeldig was.
Het hof oordeelde dat de uitleg van de overeenkomsten en de gedragingen van partijen wezen op een geldlening en niet op borgtocht of hoofdelijk medeschuldenaarschap. Appellant had onvoldoende feiten gesteld om dit te onderbouwen. Ook het argument dat het toestemmingsvereiste van toepassing zou zijn faalde. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde appellant in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en veroordeelt appellant tot betaling van de proceskosten.