ECLI:NL:GHAMS:2012:BV9619
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- H.E. Kostense
- J. den Boer
- E.F. Faase
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over proceskostenvergoeding en redelijke termijn in belastinggeschil
Belanghebbende maakte bezwaar tegen aanmaningskosten en invorderingsrente die door de ontvanger van de Belastingdienst waren opgelegd. Na gedeeltelijke herroeping van deze beschikkingen werd de vergoeding van proceskosten in bezwaar door de ontvanger afgewezen. Belanghebbende ging in beroep bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde, en vervolgens in hoger beroep bij het gerechtshof te 's-Gravenhage, dat de uitspraak bevestigde. De Hoge Raad vernietigde deze uitspraak en verwees de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam.
In het vervolgproces stond de hoogte van de proceskostenvergoeding centraal. Het hof oordeelde dat de bezwaren in bezwaar en beroep deels samenhangend waren, maar dat in bezwaar geen sprake was van samenhangende zaken. Voor elke fase werd een zeer lichte wegingsfactor toegepast conform het Besluit proceskosten bestuursrecht, resulterend in een totale vergoeding van €808. Daarnaast werd vastgesteld dat de totale behandelingsduur van ruim zes jaar niet leidde tot een overschrijding van de redelijke termijn, mede omdat alle tussenliggende procedures binnen de daarvoor geldende termijnen waren afgerond.
Het hof vernietigde de eerdere uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep gegrond, waarbij het de uitspraken op bezwaar vernietigde voor zover deze de proceskostenvergoeding betroffen. De ontvanger werd veroordeeld tot betaling van de proceskostenvergoeding en het griffierecht. Het verzoek van belanghebbende tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen.
Uitkomst: Het gerechtshof kent belanghebbende een proceskostenvergoeding van €808 toe en oordeelt dat de redelijke termijn niet is overschreden.