ECLI:NL:GHAMS:2012:BV3922
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Voortzetting onderhuur zelfstandige woonruimte na beëindiging hoofdhuur niet uitgesloten
In deze zaak vordert Nesvadba ontruiming van de eerste woonlaag van een bovenhuis en beëindiging van de voortgezette onderhuurovereenkomst na het eindigen van de hoofdhuurovereenkomst met de hoofdhuurder [H.]. De kantonrechter wees de vorderingen af, waarbij werd geoordeeld dat de onderhuurder beschermd wordt door artikel 7:269 lid 1 BW Pro, omdat sprake is van zelfstandige woonruimte en hoofdverblijf.
Nesvadba betwistte de zelfstandigheid van de woonruimte en de hoofdverblijfplaats van de onderhuurder, maar het hof bevestigde dat de woonruimte zelfstandig is vanwege de aanwezigheid van eigen voorzieningen en een afsluitbare toegangsdeur. Het niet voldoen aan het Bouwbesluit staat aan deze kwalificatie niet in de weg.
Verder stelde het hof vast dat de onderhuurder reeds vanaf 1989 in de woning woont en dat de onderhuur niet is aangegaan met de bedoeling haar de positie van huurder te verschaffen, zodat de beëindigingsgrond van artikel 7:269 lid 2 sub b BW Pro niet van toepassing is. Ook de gronden op basis van redelijkheid en billijkheid werden verworpen, mede omdat de financiële onderbouwing ontbrak.
Ten aanzien van het hoofdverblijf oordeelde het hof dat ondanks het verblijf van de onderhuurder bij haar partner, haar hoofdverblijf in de onderverhuurde woning is gevestigd. Nesvadba wordt toegelaten tot tegenbewijs hierover. Het hof beveelt een getuigenverhoor aan en houdt verdere beslissing aan.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat de onderhuurovereenkomst voortduurt en laat tegenbewijs toe over het hoofdverblijf van de onderhuurder.