Uitspraak
mr. H.J. Borghuiste Amsterdam,
mr. I. Rhodeste Amsterdam.
Gerechtshof Amsterdam
De zaak betreft een hoger beroep in een kort geding over een loonvordering van een werkneemster die als kamermeisje werkzaam was in een hostel dat per 1 januari 2011 werd overgenomen door de vennootschap onder firma International Budget Hostel (IBH).
De werkneemster vorderde betaling van achterstallig loon vanaf juli 2011 en afgifte van salarisspecificaties. De kantonrechter kende haar loon toe vanaf 1 juli 2011, gebaseerd op een gemiddeld aantal uren, met een wettelijke verhoging van 25%. IBH stelde dat de werkneemster zich niet bereid had verklaard haar werkzaamheden te hervatten voor 14 september 2011 en dat loon over die periode daarom niet verschuldigd was.
Het hof oordeelde dat IBH wel degelijk getracht had contact te zoeken en dat de werkneemster zich pas vanaf 14 september 2011 beschikbaar had gesteld. Verder was er onvoldoende bewijs om aan te nemen dat IBH de werkneemster had bedreigd. De loonvordering werd daarom afgewezen voor de periode tot 14 september 2011, maar toegewezen voor de periode van 14 september tot 20 november 2011. Voor de periode na 20 november 2011 was nader onderzoek nodig, zodat die vordering werd afgewezen.
Het hof veroordeelde IBH tot betaling van loon over de toegewezen periode, vermeerderd met wettelijke verhoging en rente, en tot afgifte van salarisspecificaties. De kosten van beide instanties werden gecompenseerd.
Uitkomst: Loonvordering toegewezen voor periode 14 september tot 20 november 2011, overige perioden afgewezen.