ECLI:NL:GHAMS:2012:3226

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
22 november 2012
Publicatiedatum
1 mei 2013
Zaaknummer
11-00561 tot en met 11-00564
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake teruggave van overdrachtsbelasting en naheffingsaanslagen

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van belanghebbenden tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem, waarin hun verzoeken om teruggave van overdrachtsbelasting zijn afgewezen. De belanghebbenden, waaronder [belanghebbende 1], [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3], hadden in 2003 overdrachtsbelasting betaald bij de verkrijging van onroerende zaken. In 2008 hebben zij de onroerende zaken teruggeleverd aan [belanghebbende 1] onder het voorbehoud van een recht van wederinkoop. De inspecteur van de Belastingdienst weigerde echter de teruggave van de betaalde belasting, omdat de toestand van vóór de verkrijging niet feitelijk en rechtens was hersteld. Het Hof heeft de feiten en de juridische context van de zaak zorgvuldig beoordeeld, waarbij het belang van hypotheken en de juridische eigendom van de onroerende zaken centraal stonden. Het Hof concludeerde dat de situatie na de teruglevering wezenlijk verschilde van die vóór de verkrijging door [belanghebbende 1], waardoor het verzoek om teruggave niet kon worden gehonoreerd. Daarnaast zijn de naheffingsaanslagen die aan [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] zijn opgelegd, terecht opgelegd, omdat de inspecteur niet in strijd met de wet handelde. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd, en het hoger beroep werd ongegrond verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 11/00561 tot en met 11/00564
22 november 2012
uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende 1]te [Z1]
[belanghebbende 2]te [Z2]
[belanghebbende 3]te [Z2] ,
belanghebbenden,
gemachtigden [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ,
tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 10/3269, 10/3270, 10/3271 en 10/3272 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbenden
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Utrecht-Gooi,
de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
[belanghebbende 1] heeft op 31 oktober 2008 twee verzoeken ingediend bij de inspecteur om teruggave van overdrachtsbelasting ter grootte van € 87.000 en € 9.600 voor twee verkrijgingen in 2003. Het Hof heeft aan de procedures van belanghebbende [belanghebbende 1] de kenmerken 11/00561 en 11/00562 toegekend.
1.2.
De inspecteur heeft met dagtekening 14 april 2009 beide verzoeken om teruggave bij voor bezwaar vatbare beschikking afgewezen.
1.3.
Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraken, gedagtekend 21 mei 2010, de twee afwijzende beschikkingen gehandhaafd.
1.4.
De inspecteur heeft met dagtekening 14 april 2009 een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting opgelegd aan [belanghebbende 2] ter grootte van € 87.000 voor een verkrijging op 31 oktober 2008. Het Hof heeft aan de procedure van belanghebbende [belanghebbende 2] het kenmerk 11/00563 toegekend.
1.5.
De inspecteur heeft met dagtekening 14 april 2009 een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting opgelegd aan [belanghebbende 3] ter grootte van € 9.600 voor een verkrijging op 31 oktober 2008. Het Hof heeft aan de procedure van belanghebbende [belanghebbende 3] het kenmerk 11/00564 toegekend.
1.6.
Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur beide naheffingsaanslagen bij uitspraken van 21 mei 2010 gehandhaafd.
1.7.
Bij uitspraak van 9 juni 2011 heeft de rechtbank de door belanghebbenden ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
1.8.
Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 5 juli 2011. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.9.
Op 24 augustus 2011 is ter griffie van het Hof een reactie van belanghebbenden (kennelijk per abuis gedateerd 8 juli 2011) op het verweerschrift van de inspecteur binnengekomen. Een afschrift hiervan is aan de inspecteur verstrekt.
1.10.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2012. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2.Feiten

In de ontwikkeling van het geschil in hoger beroep vindt het Hof aanleiding de feiten als volgt vast te stellen.
2.1.
[belanghebbende 2] was juridisch eigenaar van een woning met ondergrond, erf, tuin en verder toebehoren, plaatselijk bekend [adres 1] te [Z2] . [belanghebbende 3] was juridisch eigenaar van een perceel grond met zwembad gelegen nabij [adres 1] te [Z2] . De woning van [belanghebbende 2] en het perceel grond van [belanghebbende 3] met toebehoren worden hierna ook aangeduid als de onroerende zaken.
2.2.
Als gevolg van financiële problemen heeft [belanghebbende 2] in 2003 met de Rabobank een afspraak gemaakt waardoor [belanghebbende 2] de onroerende zaken tegen een vastgestelde taxatiewaarde kon vervreemden aan een derde ter aflossing van aan [belanghebbende 2] verstrekte leningen. Deze afspraak is gemaakt ter voorkoming van veilingverkoop van de onroerende zaken waardoor een restschuld voor [belanghebbende 2] zou kunnen ontstaan.
2.3.
[belanghebbende 2] heeft bij akte van 23 december 2003 de woning verkocht en geleverd aan [belanghebbende 1] voor een koopprijs van € 1.450.000. [belanghebbende 3] heeft bij akte van 23 december 2003 het perceel grond verkocht en geleverd aan [belanghebbende 1] voor een bedrag van € 160.000.
2.4.
In beide hiervoor onder 2.3. bedoelde akten van 23 december 2003, is voor zover van belang, het volgende vermeld:
“Heden, de drie en twintigste december 2003, verschenen voor mij, [gemachtigde 1] , notaris te [ZZZ] ,
(…)
Bepalingen
In het koopcontract en bij de levering zijn danwel worden bij deze akte de volgende bepalingen overeengekomen:
Artikel 1
Verkoper levert het verkochte aan koper:
a. onvoorwaardelijk en niet onderhevig aan inkorting, ontbinding of aan welke vernietiging dan ook;
b. niet bezwaard met beslagen of rechten van hypotheken danwel inschrijvingen daarvan danwel niet bezwaard met andere beperkte rechten, behoudens de in deze akte vermelde;
(…)
Artikel 2
De aflevering (feitelijke levering) van het verkochte vindt plaats bij de ondertekening van deze akte, geheel ontruimd (behoudens de eventueel meeverkochte roerende zaken) en vrij van huren, andere gebruiksrechten en aanspraken wegens huurbescherming, in de feitelijke staat waarin het verkochte zich dan bevindt, met dien verstande dat (…)”
2.5.
[belanghebbende 1] heeft ter zake van de verkrijging van de onroerende zaken van [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] op 23 december 2003 op aangifte bedragen van € 87.000 respectievelijk € 9.600 voldaan.
2.6.
Op 23 december 2003 hebben zowel [belanghebbende 2] als [belanghebbende 3] met [belanghebbende 1] een overeenkomst gesloten met als titel ‘recht van wederinkoop’. Hierin is voor zover van belang, het volgende vermeld:
“(...)
in aanmerking nemende:
- dat blijkens akte op heden voor [gemachtigde 1] , notaris te [ZZZ] , door verkoper aan koper is verkocht en geleverd:
- …(omschrijving onroerende zaak)...
- dat verkoper zich het recht van wederinkoop heeft voorbehouden voor de tijd van vijf jaar, zodat bovenbedoelde levering is geschied onder de ontbindende voorwaarde van inroeping van dit recht door verkoper;
- dat verkoper derhalve tot vijf jaar na heden de bevoegdheid heeft de koopovereenkomst te ontbinden onder restitutie van de betaalde koopprijs en gemaakte kosten als hierna omschreven, waardoor op de voet van artikel 3:84 Burgerlijk Wetboek het verkochte van rechtswege, doch zonder terugwerkende kracht, terugkeert bij verkoper;
(…)”
2.7.
[belanghebbende 1] is, om de koopprijs te kunnen voldoen, een lening aangegaan bij [C] en heeft een recht van hypotheek op de onroerende zaken gevestigd ten gunste van [C] .
2.8.
[belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] zijn met [belanghebbende 1] een huurovereenkomst aangegaan zodat zij na de verkoop op 23 december 2003 tegen betaling van een vastgestelde huur in de woning konden blijven wonen.
2.9.
[belanghebbende 2] kon binnen de periode van vijf jaar die gold voor het recht van wederinkoop geen financiering regelen om de onroerende zaken terug te kopen. [belanghebbende 2] , [belanghebbende 3] en [belanghebbende 1] wilden de termijn waarbinnen [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] de onroerende zaken terug konden kopen van [belanghebbende 1] verlengen.
2.10.
Bij akten van 31 oktober 2008 om 8.35 uur en 8.40 uur heeft [belanghebbende 1] de onroerende zaken terug geleverd aan [belanghebbende 2] respectievelijk [belanghebbende 3] . In beide aktes van teruglevering is, onder andere, het volgende opgenomen:
“(…)
Verkrijger en vervreemder hebben bij gelegenheid van het tekenen van vermelde akte van levering op drie en twintig december tweeduizend drie ter zake van het verkochte een overeenkomst
recht van wederinkoopgesloten, (…).
De comparanten verklaren dat verkrijger tijdig gebruik heeft gemaakt van het vermelde recht van wederinkoop, zodat mitsdien tijdig de in de overeenkomst inzake het recht van wederinkoop omschreven ontbindende voorwaarden zijn ingeroepen, op grond waarvan vervreemder verplicht is het verkochte aan verkrijger in eigendom terug te leveren.
De comparanten verklaren een en ander bij deze akte te willen effectueren.
(…)
Overdrachtsbelasting
De comparanten verklaren voorts een beroep te doen op de vrijstelling van overdrachtsbelasting ex artikel 15 lid 1 letter r van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, omdat de toestand van het verkochte van vóór de omschreven verkrijging door vervreemder zowel feitelijk als rechtens wordt hersteld als bedoeld in artikel 19 van die wet, als gevolg van de vervulling van een ontbindende voorwaarde, zodat ter zake van de in deze akte omschreven teruglevering geen overdrachtsbelasting verschuldigd is.
Algemene bepalingen
(…)
Artikel 2
Vervreemder is verplicht aan verkrijger eigendom te leveren, die onvoorwaardelijk is en niet bezwaard is met:
a. (…)
b. beperkte rechten behoudens erfdienstbaarheden, waarvan de aan vervreemder bekende hierna zullen worden vermeld;
(…)”
2.11.
Voor de verkoop en levering door [belanghebbende 1] aan [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] zijn voor de onroerende zaken dezelfde bedragen verschuldigd geworden als door [belanghebbende 1] bij de leveringen van 23 december 2003 aan [belanghebbende 2] respectievelijk [belanghebbende 3] zijn betaald, namelijk € 1.450.000 respectievelijk € 160.000.
2.12.
[belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] hebben op 31 oktober 2008 een recht van tweede en derde hypotheek gevestigd op de onroerende zaken ten behoeve van [A BV] en [B BV] . Van deze vennootschappen is [belanghebbende 1] (middellijk) aandeelhouder. Het recht van hypotheek aan [A BV] is gevestigd als zekerheid voor de te betalen huur. Het recht van hypotheek van [B BV] is gevestigd in verband met een financiering die aan [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] is verstrekt voor de voldoening van overdrachtsbelasting.
2.13.
Bij akten van 31 oktober 2008 om 9.05 uur respectievelijk 9.10 uur hebben [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] de onroerende zaken verkocht en geleverd aan [belanghebbende 1] . De door [belanghebbende 1] verschuldigde koopsom bedroeg € 1.450.000 respectievelijk € 160.000.
2.14.
De hypotheekhouder [C] is noch over de leveringen van 8.35 uur en 8.40 uur op 31 oktober 2008 noch over de leveringen van 9.05 uur en 9.10 uur op 31 oktober 2008 geïnformeerd; de hypotheek is niet doorgehaald of doorgehaald geweest op die dag.
2.15.
[belanghebbende 1] enerzijds en [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] anderzijds hebben de door hen op 31 oktober 2008 wederzijds verschuldigde koopsommen voldaan door verrekening.
2.16.
[belanghebbende 1] heeft op 31 oktober 2008 verzoeken om teruggave gedaan van de door hem op 23 december 2003 voldane overdrachtsbelasting van € 87.000 respectievelijk € 9.600 met als reden dat de toestand van vóór de verkrijging op 23 december 2003 zowel feitelijk als rechtens is hersteld.
2.17.
[belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] hebben ter zake van de verkrijgingen op 31 oktober 2008 van de onroerende zaken geen aangifte overdrachtsbelasting gedaan. Daarop heeft de inspecteur aan [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] de in 1.4 en 1.5 bedoelde naheffingsaanslagen opgelegd.
2.18.
[belanghebbende 1] heeft zijn vorderingen op de inspecteur wegens het door hem gepretendeerde recht op teruggave van de door hem op aangifte voldane overdrachtsbelasting wegens de leveringen van 23 december 2003 gecedeerd aan [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] . [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] hebben gezamenlijk de procedure van [belanghebbende 1] overgenomen en hebben er voor gekozen die procedure op naam van [belanghebbende 1] voort te zetten.
2.19.
Op 28 april 2009 zijn de onroerende zaken door [belanghebbende 1] wederom aan [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] geleverd nadat [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] zich op dwaling hebben beroepen inzake de overeenkomsten tot de leveringen van 31 oktober 2008 om 9.05 uur en 9.10 uur.

3.Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft in haar uitspraak de beroepen van [belanghebbende 1] , [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] ongegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen. Belanghebbenden worden hierin aangeduid als ‘eisers’ en de inspecteur als ‘verweerder’.
“4.1. Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder sub r, Wbr is van overdrachtsbelasting vrijgesteld de verkrijging krachtens herstel als bedoeld in artikel 19 Wbr.
4.2.
Artikel 19, eerste lid, aanhef en onder sub a, Wbr, waarop eisers zich beroepen, luidt als volgt:
“Op verzoek wordt teruggaaf van belasting verleend, indien de toestand van vóór de verkrijging zowel feitelijk als rechtens wordt hersteld als gevolg van:
a. de vervulling van een ontbindende voorwaarde;”
4.3.
Partijen verschillen van mening over de vraag of met de leveringen van de onroerende zaken door [belanghebbende 1] aan [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] op 31 oktober 2008 de toestand van vóór de leveringen van 23 december 2003 zowel feitelijk als rechtens is hersteld.
4.4.1.
De onroerende zaken zijn op 31 oktober 2008 tegen dezelfde koopprijs aan [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] geleverd als waartegen zij zelf die zaken op 23 december 2003 aan [belanghebbende 1] hadden geleverd. Voorts is niet bestreden dat de zaken in dezelfde staat waren. [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] hebben op 23 december 2003 de onroerende zaken geleverd vrij van hypotheek. Anders dan de akte van teruglevering vermeldt, heeft [belanghebbende 1] op 31 oktober 2008 de onroerende zaken aan [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] geleverd terwijl deze bezwaard waren met een hypotheek. Deze was gevestigd ten behoeve van [C] . Bij de levering van onroerende zaken geldt in het algemeen dat het al dan niet bezwaard zijn met een hypotheek van groot belang is; het beïnvloedt de verkoopwaarde van de onroerende zaak en de beschikkingsmacht van de verkrijger. Nu niet is gebleken dat dit in de onderhavige zaak anders ligt, betekent het feit dat [belanghebbende 1] de onroerende zaken bezwaard met een hypotheek heeft geleverd aan [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] terwijl deze zaken niet met hypotheek waren bezwaard toen deze aan [belanghebbende 1] werden geleverd, dat de situatie na de teruglevering door [belanghebbende 1] op 31 oktober 2008 op een essentieel punt anders is dan die van vóór 23 december 2003. Er is derhalve, anders dan eisers bepleiten, geen sprake van een feitelijk en rechtens herstel in de toestand van vóór 23 december 2003.
4.4.2.
Voorts hadden partijen afgesproken dat [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] op 31 oktober 2008 de onroerende zaken onmiddellijk weer aan [belanghebbende 1] zouden leveren; op die wijze behoefde de koopprijs niet daadwerkelijk te worden gestort maar kon die worden betaald door verrekening. Dit samenstel van verplichtingen en afspraken betekent in feite dat [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] niet als eigenaar van de onroerende zaken hebben gefungeerd, anders dan om een half uur later te voldoen aan hun verplichting de zaken opnieuw aan [belanghebbende 1] te leveren. Om deze reden kan niet worden gesproken van feitelijk herstel van de situatie van vóór 23 december 2003.
4.5.
Eisers hebben zich ter zitting op het vertrouwensbeginsel beroepen. Daartoe hebben eisers gesteld dat [belanghebbende 2] in het bezit is geweest van meer onroerende zaken, dat hij die eveneens op of omstreeks 23 december 2003 heeft verkocht met een recht van wederinkoop, dat die onroerende zaken in of omstreeks oktober 2008 alle, nadat [belanghebbende 2] een beroep op dat recht had gedaan, zijn teruggeleverd en dat in die situaties de behandelend inspecteur het beroep op artikel 19, eerste lid 1, aanhef en sub a, Wbr heeft gehonoreerd. Dit beroep slaagt niet. Nu eisers hebben aangegeven dat in de door hen bedoelde zaken er geen sprake was van bezwaring met hypotheken en niet van een tweede teruglevering op dezelfde dag, zijn de zaken waarop eisers zich beroepen dermate anders dan de onderhavige zaak dat om die reden reeds het beroep op het vertrouwensbeginsel moet worden verworpen.
4.6.
Uit het voorgaande vloeit voort dat het beroep van eisers op de vrijstelling als bedoeld in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder sub r, Wbr, juncto artikel 19, eerste lid, aanhef en onder sub a, Wbr, niet kan worden gehonoreerd en dat de beroepen ongegrond zijn.
4.7.
Omdat de beroepen tegen de aan [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] opgelegde naheffingsaanslagen geen doel treffen, zullen de beroepen tegen de aan hen opgelegde beschikkingen heffingsrente, nu daartegen geen grieven zijn aangevoerd, eveneens ongegrond worden verklaard.”

4.Geschil in hoger beroep

4.1.
In hoger beroep is in geschil of [belanghebbende 1] recht heeft op teruggave van de in 2003 betaalde overdrachtsbelasting op grond van artikel 19, eerste lid, onder a, in samenhang met artikel 15, eerste lid, onder r, Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: WBR).
4.2.
Tevens is in geschil of de aan [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] opgelegde naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd.
4.3.
Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken en naar het proces-verbaal van de zitting.

5.Beoordeling van het geschil

Verzoeken om teruggave door [belanghebbende 1]
5.1.
Voor het antwoord op de vraag of de inspecteur terecht het verzoek van [belanghebbende 1] om teruggave van de in 2003 betaalde overdrachtsbelasting heeft geweigerd, dient te worden beoordeeld of de toestand van vóór de verkrijging door [belanghebbende 1] op 23 december 2003 feitelijk en rechtens is hersteld als gevolg van een ontbindende voorwaarde. Partijen zijn het er over eens dat het recht op wederinkoop van [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] , als verwoord in 2.6, als een ontbindende voorwaarde dient te worden aangemerkt. Partijen verschillen van mening over de vraag of door de levering bij akten van 31 oktober 2008 om 8.35 uur en 8.40 uur en waarbij [belanghebbende 1] de onroerende zaken heeft teruggeleverd aan [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] de toestand van vóór de verkrijging op 23 december 2003 feitelijk en rechtens is hersteld.
5.2.
Het Hof stelt voorop dat een aantal bepalingen zoals vermeld in de akten van 23 december 2003 en in de akten van 31 oktober 2008 niet in overstemming zijn met de feiten zoals die voor de rechtbank en het Hof zijn vastgesteld. In artikel 2 van de akten van levering van 23 december 2003 is vermeld dat het verkochte wordt geleverd vrij van huren, terwijl het partijen bekend moet zijn geweest dat [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] in de onroerende zaken zouden blijven wonen en dat zij hiervoor huur zouden betalen. Verder is in artikel 2 van de akten van teruglevering van 31 oktober 2008 vermeld dat vervreemder, dat wil zeggen [belanghebbende 1] , verplicht is aan verkrijger eigendom te leveren, die onvoorwaardelijk is. Het Hof kan niet anders dan aannemen dat ten tijde van de teruglevering reeds bekend was dat [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] de onroerende zaken ongeveer een half uur na de verkrijging opnieuw zouden verkopen en leveren aan [belanghebbende 1] . Dit komt niet overeen met de vermelding in de akten dat het leveren van eigendom onvoorwaardelijk is. Bovendien is in artikel 2 van de akten van teruglevering vermeld dat eigendom wordt geleverd die niet is bezwaard met beperkte rechten. Vaststaat dat ten tijde van de teruglevering een recht van hypotheek was gevestigd ten behoeve van [C] en dat het de bedoeling was van partijen om dit recht in stand te laten.
5.3.
Het Hof is van oordeel dat de toestand van vóór de verkrijging door [belanghebbende 1] op 23 december 2003 feitelijk en rechtens niet is hersteld als gevolg van het recht tot wederinkoop, zoals uitgeoefend en vastgelegd in de akten van 31 oktober 2008 om 8.35 uur en 8.40 uur.
Het Hof acht hiervoor de volgende redenen doorslaggevend. Ten eerste waren [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] vóór de verkrijging door [belanghebbende 1] de juridische eigenaren van de onroerende zaken en was deze juridische eigendom kenbaar uit de openbare registers. Na de hiervoor bedoelde akten van 31 oktober 2008 heeft inschrijving van de akten niet plaatsgevonden, zodat voor derden nimmer kenbaar is geweest dat [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] korte tijd juridisch eigenaar zijn geweest als gevolg van het recht van wederinkoop, dat in deze procedure kan worden gelijkgesteld met een ontbindende voorwaarde. De rechtbank heeft daarnaast terecht en op goede gronden in 4.4.1 overwogen dat niet kan worden voorbijgegaan aan het feit dat [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] ten tijde van de teruglevering onroerende zaken hebben verkregen waarop door [belanghebbende 1] na de verkrijging in 2003 een recht van hypotheek was gevestigd en welk recht daar ook na teruglevering op is blijven rusten.
5.4.
Uit hetgeen in 5.3 is overwogen volgt dat de verzoeken van [belanghebbende 1] om teruggave van de in 2003 betaalde overdrachtsbelasting terecht door de inspecteur zijn geweigerd.
Naheffingsaanslagen opgelegd aan [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3]
5.5.
De inspecteur heeft in verband met de levering van de onroerende zaken aan [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] op 31 oktober 2008 om 9.05 uur en 9.10 uur aan ieder van hen een naheffingsaanslag opgelegd. Belanghebbenden stellen in hoger beroep dat aan alle verkrijgingen op 31 oktober 2008, dus ook die van 8.35 uur en 8.40 uur voorbijgegaan moet worden omdat deze slechts ten doel hadden om de termijn van vijf jaren, waarbinnen [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] de onroerende zaken konden terugkopen, te verlengen.
5.6.
Het Hof volgt de stelling van belanghebbenden dat de rechtshandelingen louter waren gericht op de termijnverlenging van het recht van wederinkoop niet. Ter zitting van het Hof is komen vast te staan dat [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] in de korte tijd dat zij op 31 oktober 2008 eigenaar zijn geweest, een tweede en derde recht van hypotheek hebben gevestigd ten behoeve van [A BV] respectievelijk [B BV] , waarvan [belanghebbende 1] (middelijk) aandeelhouder is. De overeenkomsten van 31 oktober 2008 hadden daarom mede een ander doel, namelijk het vestigen van extra zekerheid. Gelet hierop kan niet worden geoordeeld dat de overeenkomsten van 31 oktober 2008 zouden berusten op een ‘vergissing’ van de notaris, die er niet mee bekend zou zijn dat partijen bij onderhandse akte de termijn van vijf jaren hadden kunnen verlengen.
5.7.
Belanghebbenden hebben ter zitting aangeboden om het Hof te informeren over de vraag of prof. mr. [Y] , die ten behoeve van deze procedure op verzoek van belanghebbenden zijn visie op de uitspraak van de rechtbank aan belanghebbenden heeft doen toekomen, er mee bekend was dat op 31 oktober 2008 door [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] een tweede en een derde hypotheek zijn gevestigd. Anders dan belanghebbenden veronderstellen, kan een visie van voornoemde persoon niet bijdragen tot het bewijs van feiten in deze procedure. Het Hof zal daarom voorbijgaan aan dit aanbod van belanghebbenden.
5.8.
Belanghebbenden hebben tot slot gesteld dat de inspecteur handelt in strijd met doel en strekking van de wet en met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Ook deze stellingen van belanghebbenden kunnen niet slagen. Uit het voorgaande volgt dat de inspecteur op grond van artikel 19, eerste lid, onder a, in samenhang met artikel 15, eerste lid, onder r, BRV terecht de verzoeken om teruggave van [belanghebbende 1] heeft geweigerd. Voorts is op grond van het voorgaande eveneens duidelijk dat niet kan worden voorbijgegaan aan de rechtshandelingen van 31 oktober 2008 omdat moet worden geoordeeld dat deze niet slechts waren bedoeld als verlenging van de termijn voor terugkopen van de onroerende zaken door [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] . Belanghebbenden hebben geen feiten en omstandigheden gesteld of aannemelijk gemaakt op grond waarvan het Hof zou kunnen aannemen dat de inspecteur handelt in strijd met het vertrouwensbeginsel dan wel het gelijkheidsbeginsel. Gelet op het aanbod van de inspecteur, ter zitting van het Hof door hem herhaald, om door een compromis de geschillen te beslechten in die zin dat in de onderhavige procedures wordt volstaan met heffing van éénmaal overdrachtsbelasting, kan niet worden geoordeeld dat de inspecteur heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De naheffingsaanslagen zijn, gelet op het voorgaande, terecht opgelegd.
Slotsom
5.9.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd met aanvulling van gronden, als hiervoor aangegeven.

6.Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. A.P.M. van Rijn, voorzitter, J.P.A. Boersma en J.P. Kruimel, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen als griffier. De beslissing is op 22 november 2012 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.