ECLI:NL:GHAMS:2011:BU9074
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- J.W. Hoekzema
- M.W.E. Koopmann
- J. Wortel
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aansprakelijkheid bank wegens onjuiste advisering bij beleggingsportefeuille
De appellant hield sinds 1999 een beleggingsportefeuille aan bij ABN AMRO Bank en haar rechtsvoorgangers, bestaande uit aandelen en een geldrekening. In 2000 sloot hij overeenkomsten voor advies en beheer waarbij hij zelf het beheer behield en advies op verzoek kreeg. In 2001 werd een schriftelijk beleggersprofiel opgesteld, waarin een neutraal risicoprofiel werd vastgesteld.
In 2002 waarschuwde een bankmedewerker de appellant dat zijn risicovolle transacties in opties in strijd waren met gemaakte afspraken en de zorgplicht van de bank. De relatie werd omgezet in een execution-only relatie waarbij de bank geen zorgplicht meer had. De portefeuille daalde in waarde van circa €140.752 in 1999 tot circa €61.739 in oktober 2002.
De appellant vorderde een verklaring voor recht dat ABN AMRO Bank tekort was geschoten in haar zorgplicht en aansprakelijk was voor de schade. Het hof oordeelde dat het risicoprofiel en de beleggersdoelstellingen van de appellant kenbaar waren en dat een portefeuille met hoofdzakelijk aandelen niet per definitie onverenigbaar is met een neutraal beleggingsbeleid. De stellingen van de appellant dat hij afhankelijk was van het belegd vermogen voor levensonderhoud werden niet geloofwaardig bevonden. De vorderingen werden afgewezen en het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat ABN AMRO Bank niet aansprakelijk is voor schade door vermeende onjuiste advisering.