ECLI:NL:GHAMS:2011:BU2957
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Nederlandse rechter bij pluraliteit van verweerders in provisiegeschil tussen ECI Holding en ECI België
Appellanten vorderden betaling van niet-betaalde provisies van zowel ECI Holding (Nederland) als ECI België (België), stellende dat zij met beide mondelinge pachtovereenkomsten hadden gesloten. De rechtbank Utrecht verklaarde zich onbevoegd ten aanzien van de vorderingen tegen ECI België, omdat geen zodanige samenhang bestond tussen de vorderingen tegen ECI Holding en ECI België dat gelijktijdige behandeling noodzakelijk was.
In hoger beroep handhaafden appellanten hun standpunt dat de vorderingen samenhangen in de zin van artikel 6 lid 1 EEX Pro-verordening, zodat de Nederlandse rechter bevoegd zou zijn. Het hof oordeelde echter dat appellanten onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat de provisiebetalingen voortvloeiden uit één en dezelfde overeenkomst die voor beide vennootschappen gold.
Het hof concludeerde dat de vorderingen tegen ECI Holding en ECI België op verschillende feitencomplexen berusten en dat het ontbreken van concrete stellingen omtrent de totstandkoming van de pachtovereenkomsten het onmogelijk maakt de samenhang aan te nemen. Daarom bevestigde het hof de onbevoegdheid van de Nederlandse rechter ten aanzien van ECI België en veroordeelde appellanten in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: De Nederlandse rechter is onbevoegd voor de vorderingen tegen ECI België; het vonnis van de rechtbank Utrecht wordt bekrachtigd.