ECLI:NL:GHAMS:2011:BU1562
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Navordering belastingverlies film-CV wegens kasronde en geen onderneming
Belanghebbende was commanditair vennoot in film-CV 4 en gaf een verlies uit onderneming aan in de aangifte inkomstenbelasting 2000. De inspecteur legde een navorderingsaanslag op omdat bleek dat de CV geen onderneming dreef, maar dat ingelegde gelden slechts werden rondgepompt via [B BV]. De rechtbank vernietigde de navorderingsaanslag, stellende dat het nieuwe feit niet in het verlengde lag van reeds bekende feiten. Het Hof oordeelt anders en stelt dat de ontdekking van de license agreements in 2004 een 'tweede' nieuw feit vormde dat navordering rechtvaardigt.
Het Hof stelt vast dat de CV geen films zelf produceerde, maar kant-en-klare films kocht van derden en dat de exploitatie en verkooprechten grotendeels bij [B BV] lagen. Hierdoor was er geen sprake van een onderneming en genoten de commanditaire vennoten geen winst uit onderneming. Het beroep op algemene beginselen van behoorlijk bestuur slaagt niet, hoewel de inspecteur het bezwaar onvoldoende zorgvuldig behandelde. Het zorgvuldigheidsbeginsel verzet zich tegen volledige heffingsrente, omdat een groot deel van het nagevorderde bedrag aan een ambtelijk verzuim te wijten is.
Het Hof vermindert de heffingsrente en veroordeelt de inspecteur in beperkte proceskosten. Het beroep van belanghebbende wordt afgewezen, de navorderingsaanslag blijft in stand, maar de heffingsrente wordt verlaagd. De uitspraak bevestigt dat navordering mogelijk is bij het ontdekken van een nieuw feit dat niet eerder bekend was en dat film-CV’s die geen onderneming drijven geen recht geven op fiscale faciliteiten voor ondernemers.
Uitkomst: De navorderingsaanslag wordt gehandhaafd, maar de heffingsrente wordt verminderd vanwege ambtelijk verzuim.