ECLI:NL:GHAMS:2011:BR1685
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen toezegging permanente locatie voor bungyjumpactiviteiten door gemeente Amsterdam
De zaak betreft een geschil tussen Bungy Jump Holland B.V. (BJH) en de gemeente Amsterdam over de vraag of de gemeente een toezegging heeft gedaan voor een permanente locatie voor de bungyjumpactiviteiten van BJH.
BJH baseert haar vorderingen op een brief van 15 mei 1996, waarin een toezegging zou zijn gedaan dat bij succes van de attractie een permanente locatie zou worden toegewezen. De gemeente betwist de echtheid van deze brief en stelt subsidiair dat er geen toezegging uit kan worden afgeleid.
Het hof gaat veronderstellenderwijs uit van de echtheid van de brief, maar oordeelt dat de brief geen onvoorwaardelijke toezegging bevat. De brief stelt dat een permanente locatie zou kunnen worden toegewezen indien de attractie succesvol blijkt, maar zonder nadere afspraken over tijd, plaats en voorwaarden. Gezien de complexe regelgeving en beperkte beschikbaarheid van locaties in Amsterdam mocht BJH deze mededeling niet als een recht op permanente locatie opvatten.
Verder blijkt uit de huurovereenkomsten en correspondentie dat de toegewezen locaties steeds tijdelijk waren, met expliciete bepalingen over het tijdelijke karakter en zonder aanspraak op vervangende locaties. BJH heeft pas acht jaar na de brief een beroep gedaan op de vermeende toezegging.
Het hof bevestigt daarmee het oordeel van de rechtbank dat geen toezegging tot een permanente locatie is gedaan en wijst de vorderingen van BJH af. Wel vernietigt het hof het vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling en past een hoger tarief toe. BJH wordt veroordeeld in de kosten van beide instanties.
Uitkomst: Het hof wijst de vorderingen van BJH af en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank, met uitzondering van de proceskostenveroordeling.