ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ8084
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- J.C. Toorman
- G.C.C. Lewin
- M.J. Schaepman-de Bruijne
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake onrechtmatige besluiten UWV en vergoeding kosten en rente
Deze zaak betreft het hoger beroep van een voormalige bankbediende tegen het UWV inzake onrechtmatige besluiten die leidden tot te lage WAO-uitkeringen. De appellant stelde dat het UWV onrechtmatig had gehandeld door foutieve beslissingen te nemen over haar arbeidsongeschiktheidspercentage en dagloonvaststelling, en vorderde onder meer vergoeding van kosten rechtsbijstand, wettelijke rente, compensatoire interessen en schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank had een groot deel van de vorderingen afgewezen, waaronder kosten van rechtsbijstand voor bepaalde procedures en rentevorderingen. Het hof oordeelde dat sommige kosten hoger waren dan door de rechtbank erkend en dat de appellant haar vordering ten aanzien van compensatoire rente nader moest concretiseren. Verder werd geoordeeld dat de overschrijding van de redelijke termijn niet zonder meer was vastgesteld en dat het UWV geen zelfstandige aansprakelijkheid had wegens haar opstelling.
Het hof verwees de zaak voor nadere toelichting van de appellant en hield verdere oordelen aan. De grieven over renteaanzeggingen, verjaring en winstafdracht faalden. De zaak werd verwezen naar een rolzitting voor een conclusie van de appellant, waarbij het hof een zorgvuldige afweging van kosten en rentevergoedingen wenst. Het arrest werd gewezen door drie raadsheren en uitgesproken op 24 mei 2011.
Uitkomst: Het hof wijst deels de vorderingen toe, houdt andere aan voor nadere concretisering en verwijst de zaak naar de rol voor een conclusie van de appellant.