ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ3974

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
15 februari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.005.394/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:219 BWArt. 243 Rv (oud)
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Huurdersaansprakelijkheid voor herstelkosten na hennepplantage zonder overleg

De huurder heeft een woning gehuurd waarin een professionele hennepplantage werd aangetroffen. Na ontruiming door justitie heeft de verhuurder de woning laten leeghalen en schoonmaken, waarna de kosten hiervan niet door de huurder zijn voldaan. De huurovereenkomst werd beëindigd, maar partijen verschillen van mening over de afwikkeling van kosten.

De kantonrechter oordeelde dat de kosten van herstel- en schoonmaakwerkzaamheden voor rekening van de verhuurder blijven, omdat geen gezamenlijke inspectie of inspectierapport is opgesteld zoals vereist in de algemene voorwaarden. De verhuurder ging hiertegen in hoger beroep.

Het hof stelt vast dat de huurovereenkomst is geëindigd en dat de huurder aansprakelijk is voor schade aan het gehuurde. Echter, de verhuurder heeft onvoldoende aangetoond dat de huurder niet bereid of in staat was de noodzakelijke werkzaamheden te verrichten. De huurder had de mogelijkheid moeten krijgen tot inspectie of het opmaken van een rapport, wat niet is gebeurd. Telefonisch contact voorafgaand aan de werkzaamheden toont dat overleg mogelijk was.

De grieven van de verhuurder falen, ook de vordering tot incassokosten wordt afgewezen. Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en veroordeelt de verhuurder in de kosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat herstel- en schoonmaakkosten voor rekening van verhuurder blijven en wijst de vorderingen van de verhuurder af.

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
TWAALFDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER
ARREST
in de zaak van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DIJKHUIS VASTGOED MANAGEMENT B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
APPELLANTE,
advocaat: mr. A. Heijder te Amsterdam,
t e g e n
[GEÏNTIMEERDE],
wonende te [woonplaats],
GEÏNTIMEERDE,
advocaat: mr. E.H.J. Slager te Amsterdam.
De partijen worden hierna aangeduid als Dijkhuis en [geïntimeerde].
1. Het geding in hoger beroep
Bij dagvaarding van 13 maart 2008 is Dijkhuis in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam, hierna: de kantonrechter, van 17 december 2007, in deze zaak onder rolnummer CV 07-15937 tussen partijen gewezen.
Dijkhuis heeft bij memorie haar eis gewijzigd, drie grieven geformuleerd, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen voor zover de vorderingen van Dijkhuis zijn afgewezen en, opnieuw rechtdoende, [geïntimeerde] uitvoerbaar bij voorraad zal veroordelen tot betaling van de bedragen als weergegeven in haar conclusie, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.
[geïntimeerde] heeft bij memorie geantwoord, bewijs aangeboden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van Dijkhuis in de kosten.
Ten slotte is arrest gevraagd.
2. De feiten
De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder het kopje “Feiten” een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Deze feitelijke vaststellingen worden in grief I op één onderdeel bestreden, te weten de vaststelling dat [geïntimeerde] de woning heeft onderverhuurd. Het hof zal – voor zover nodig – hierna daarop ingaan. Voor het overige zal het hof uitgaan van de door de kantonrechter vastgestelde feiten.
3. Beoordeling
3.1 Het gaat in deze zaak om het volgende.
3.1.1 [geïntimeerde] heeft per 17 september 2004 van Dijkhuis gehuurd de woning aan de [adres] te [A.]. Op 22 december 2005 is de woning door medewerkers van justitie ontruimd, nadat er een professionele hennepplantage was aangetroffen. Vervolgens heeft Dijkhuis de woning medio januari 2006 laten leeghalen en schoonmaken. De hiervoor bij [geïntimeerde] in rekening gebrachte kosten zijn door haar niet voldaan.
De huurovereenkomst is vervolgens beëindigd, partijen zijn het echter niet eens over de wijze waarop en het tijdstip waartegen. De afrekening service– en stookkosten is niet door [geïntimeerde] voldaan.
3.1.2 Dijkhuis heeft in de onderhavige zaak in eerste aanleg, kort weergegeven, gevorderd dat de kantonrechter [geïntimeerde] zal veroordelen tot betaling van in totaal € 2.964,70 bestaande uit huurpenningen, service- en stookkosten, schadevergoeding en buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 1 mei 2007 tot aan de dag der algehele voldoening, met kosten.
Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter, uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerde] veroordeeld tot betaling van € 228,64 aan hoofdsom, met de wettelijke rente hierover vanaf 28 juli 2006 tot aan de dag der voldoening. Voorts heeft de kantonrechter Dijkhuis veroordeeld in de kosten van de procedure.
3.2 Het hof stelt voorop dat in hoger beroep onbestreden is gebleven het oordeel van de kantonrechter dat de huurovereenkomst per einde van de maand januari 2006 is geëindigd en dat [geïntimeerde] in beginsel aansprakelijk is voor de schade ontstaan aan het gehuurde op grond van het bepaalde in artikel 7:219 BW Pro.
3.3 Met grief I komt Dijkhuis op tegen het oordeel van de kantonrechter dat de kosten van de herstel- en schoonmaakwerkzaamheden voor rekening van Dijkhuis blijven.
De kantonrechter heeft artikel 2 van Pro de algemene voorwaarden, behorende bij de huurovereenkomst, aan zijn oordeel ten grondslag gelegd. Dit artikel komt er – kort gezegd – op neer dat het gehuurde dient te worden opgeleverd in de staat die bij aanvang van de huur is beschreven, dat partijen het gehuurde bij het beëindigen van de huurovereenkomst gezamenlijk zullen inspecteren, dat een inspectierapport zal worden opgemaakt en dat, als de huurder geen of onvoldoende uitvoering geeft aan de in het inspectierapport weergegeven onderhouds– en herstelwerkzaamheden, verhuurder gerechtigd is de werkzaamheden voor rekening van de huurder te laten verrichten.
Tussen partijen staat vast dat er geen gezamenlijke inspectie heeft plaatsgevonden en er ook geen inspectierapport is opgemaakt.
3.4 Dijkhuis heeft naar voren gebracht dat [geïntimeerde] de woning ruim voor 22 december 2005 had achtergelaten en dat, om de woning weer bewoonbaar te maken, omvangrijke werkzaamheden noodzakelijk waren die niet door de 26-jarige [geïntimeerde] zelf konden worden uitgevoerd. Daarbij heeft [geïntimeerde], aldus Dijkhuis, tijdens het telefoongesprek op 9 januari 2006 te kennen gegeven niets met de hennepplantage van doen te hebben en zich pas per brief van 24 januari 2006 op het standpunt gesteld dat de schade door een onafhankelijk deskundige zou moeten worden opgenomen.
3.5 Het betoog van Dijkhuis slaagt niet. Ook in hoger beroep heeft Dijkhuis onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die tot de conclusie kunnen leiden dat [geïntimeerde] niet bereid en/of niet in staat zou zijn geweest om de noodzakelijke werkzaamheden te (doen) verrichten. [geïntimeerde] had op zijn minst, voordat de werkzaamheden door Dijkhuis werden uitgevoerd, in staat moeten worden gesteld de woning te inspecteren, dan wel een inspectierapport te laten opmaken. Dat [geïntimeerde] niet kon worden geïnformeerd is niet gebleken, nu immers op 9 januari 2006, vóór de aanvang van de werkzaamheden, telefonisch contact is geweest tussen partijen. Voorts doet hetgeen Dijkhuis naar voren heeft gebracht omtrent de leeftijd van [geïntimeerde] niet ter zake. Zij had immers zelf ook hulp kunnen inschakelen of kunnen inhuren. Evenmin zijn feiten gesteld of gebleken waaruit kan volgen dat in dit geval niet van Dijkhuis kon worden verlangd dat zij handelde overeenkomstig artikel 2 van Pro haar eigen algemene voorwaarden.
Het voorgaande leidt er toe dat de grief niet kan slagen.
3.6 Met grief II komt Dijkhuis op tegen de afwijzing van de buitengerechtelijke incassokosten. Nu grief I niet slaagt en voor het overige niet wordt opgekomen tegen het oordeel van de kantonrechter dat [geïntimeerde] door Dijkhuis is gesommeerd en aangemaand voor het resterende deel van de service- en stookkosten, is er geen aanleiding tot een ander oordeel omtrent deze kosten te komen. Ook deze grief slaagt niet.
3.7 Grief III kan, bij gebrek aan zelfstandig belang, onbesproken blijven.
4. Slotsom en kosten
Het hoger beroep faalt, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. Dijkhuis zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
5. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van 17 december 2007;
verwijst Dijkhuis in de proceskosten in hoger beroep en begroot die kosten voor zover tot heden aan de kant van [geïntimeerde] gevallen op € 65,75 aan verschotten en € 894,- aan salaris advocaat op de voet van artikel 243 Rv Pro (oud) te betalen aan de griffier van dit hof;
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Huijzer, J. Wortel en J.W. Hoekzema en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2011.