ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ3758
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid en schadevergoeding bij mishandeling binnen affectieve relatie
In deze civiele zaak staat de aansprakelijkheid van appellante voor mishandeling van geïntimeerde binnen een affectieve relatie centraal. De mishandelingen vonden plaats tussen 1 februari 2004 en 31 december 2006, waarbij appellante onherroepelijk strafrechtelijk is veroordeeld. Geïntimeerde vordert schadevergoeding voor onder meer huishoudelijke hulp en smartengeld.
De rechtbank kende een schadevergoeding toe, maar appellante stelde in hoger beroep dat geïntimeerde eigen schuld had en dat de vergoeding voor huishoudelijke hulp onterecht was voor de periode van samenwoning. Het hof oordeelde dat appellante onvoldoende feiten had gesteld om eigen schuld aan te nemen en bevestigde dat tijdens de samenwoning geen vergoeding voor huishoudelijke hulp verschuldigd is, omdat appellante zelf de huishoudelijke taken verrichtte.
Verder wees het hof smartengeld toe wegens blijvend letsel en mishandeling, en beperkte het de vergoeding van huishoudelijke hulp tot de periode na de samenwoning tot de zeventigste verjaardag van geïntimeerde. De vordering van appellante tot schadevergoeding wegens eigen letsel werd afgewezen wegens ontoelaatbaarheid in hoger beroep. Het hof veroordeelde appellante tot betaling van een totaalbedrag van € 38.883,= en wees het incidenteel hoger beroep af.
Uitkomst: Appellante wordt veroordeeld tot betaling van € 38.883,= schadevergoeding en het incidenteel hoger beroep wordt ongegrond verklaard.