ECLI:NL:GHAMS:2011:BP8558
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over aftrek levensonderhoud kinderen in inkomstenbelasting 2005
Belanghebbende was in 2005 alimentatieplichtig voor drie kinderen die in Oostenrijk wonen. De betalingen aan het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (L.B.I.O.) betroffen deels achterstallige alimentatie uit voorgaande jaren. De inspecteur had de aftrek van kosten levensonderhoud voor het eerste en tweede kwartaal van 2005 afgewezen omdat niet voldaan was aan de onderhoudseis van minimaal € 386 per kwartaal per kind.
In hoger beroep stelde belanghebbende dat hij wel degelijk in aanmerking kwam voor aftrek voor het derde en vierde kwartaal van 2005, omdat hij toen aan de onderhoudseis voldeed. Het hof bevestigde dat de betalingen in het eerste en tweede kwartaal betrekking hadden op achterstallige alimentatie en dus niet aftrekbaar waren. Voor het derde en vierde kwartaal werd de aftrek echter toegekend, omdat belanghebbende toen voldoende bijdroeg aan het levensonderhoud van zijn kinderen.
De rechtbank had eerder het beroep deels gegrond verklaard, maar het hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar, en stelde het belastbaar inkomen uit werk en woning vast op € 17.244. Tevens werd het betaalde griffierecht aan belanghebbende vergoed. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde vanwege gewijzigde omstandigheden en het ontbreken van bewijs dat de kinderen studiefinanciering ontvingen.
De uitspraak bevestigt dat achterstallige alimentatiebetalingen niet als aftrekpost gelden en benadrukt het belang van het voldoen aan de onderhoudseis per kwartaal. Het hof volgde het standpunt van de inspecteur voor het eerste en tweede kwartaal, maar gaf belanghebbende alsnog recht op aftrek voor het derde en vierde kwartaal van 2005.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de aanslag verminderd tot een belastbaar inkomen van € 17.244 met aftrek van kosten levensonderhoud voor het derde en vierde kwartaal 2005.