ECLI:NL:GHAMS:2010:BP3296
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- M.J. Leijdekker
- A.M. van Amsterdam
- E. van Waaijen
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over kwalificatie lumpsum betaling als loon uit vroegere dienstbetrekking
Belanghebbende was tot eind 2000 statutair directeur en in dienst bij [Y] BV en hield een aanmerkelijk belang in deze vennootschap. Na beëindiging van de dienstbetrekking ontstonden diverse geschillen die werden geregeld in een schikkingsovereenkomst van 15 november 2002. In deze overeenkomst werd een lumpsum consultancy fee van €179.697 overeengekomen, uitbetaald door [Q] BV aan een vennootschap van belanghebbende.
De inspecteur kwalificeerde deze lumpsum als loon uit vroegere dienstbetrekking en legde een navorderingsaanslag op. Belanghebbende voerde aan dat de betaling geen loon was, omdat hij geen werkzaamheden had verricht en de lumpsum een schadeloosstelling of vermomde dividenduitkering zou zijn.
De rechtbank oordeelde dat de lumpsum verband hield met de vroegere dienstbetrekking en derhalve als loon moest worden aangemerkt. Het hof bevestigt dit oordeel en stelt dat het verband met de dienstbetrekking voldoende is, ondanks dat de betaling aan een vennootschap werd gedaan en er geen feitelijke werkzaamheden waren. De navorderingsaanslag blijft daardoor in stand.
Het hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover het verlies uit aanmerkelijk belang lager werd vastgesteld dan bij de navorderingsaanslag, verklaart het beroep gegrond en gelast vergoeding van het betaalde griffierecht aan belanghebbende.
Uitkomst: De lumpsum betaling van €179.697 wordt als loon uit vroegere dienstbetrekking aangemerkt en de navorderingsaanslag blijft in stand.