ECLI:NL:GHAMS:2010:BO9492
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep wegens reizen met vals reisdocument zonder toepassing vluchtelingenverdrag
De verdachte werd ten laste gelegd dat zij op 13 november 2007 te Schiphol in het bezit was van een vals Fins paspoort waarvan zij wist dat het vals was. De verdediging voerde aan dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard op grond van artikel 31 van Pro het Vluchtelingenverdrag, omdat de verdachte nog geen beslissing had ontvangen op haar asielverzoek en dat vervolging in strijd zou zijn met het vervolgingsbeleid.
Het hof oordeelde dat de verdachte niet onder de bescherming van artikel 31 Vluchtelingenverdrag Pro valt, omdat zij vijf maanden in Griekenland verbleef, dat als een veilig land werd beschouwd, en zij geen asielverzoek daar had ingediend. Ook werd het verweer dat vervolging in strijd is met het OM-beleid verworpen, aangezien de aangehaalde brief geen beleidsregel van rechtelijke aard is.
Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan. Gelet op de ernst van het feit en de omstandigheden, waaronder het bewust gebruik van een vals reisdocument in plaats van het Irakees identiteitsbewijs, werd een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand opgelegd met een proeftijd van twee jaar. Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand wegens bezit van een vals reisdocument.