ECLI:NL:GHAMS:2010:BN9698
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- S. Clement
- M.W.E. Koopmann
- C.C. Meijer
- Rechtspraak.nl
Beëindiging wettelijke schuldsaneringsregeling wegens niet-melding en gebrek aan medewerking
Appellante werd op 11 mei 2009 toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling met een schuldenlast van circa €25.731,37, waarbij een vordering van de Pensioen & Uitkeringsraad (PUR) niet was vermeld. Deze vordering betrof terugvorderingen van WUV-uitkeringen, gebaseerd op een in 1998 ontvangen erfenis van ongeveer €365.000, die zij in 2001 aan de PUR had gemeld.
De rechtbank beëindigde de schuldsaneringsregeling op grond van artikel 350 lid 3 sub f Fw Pro, omdat de vordering niet was gemeld bij toelating en appellante niet te goeder trouw was. Appellante voerde aan dat zij de stukken aan de schuldhulpverlener had verstrekt en dat zij niet te kwader trouw was, mede omdat zij de erfenis zelf had gemeld en zij onvoldoende medewerking kon verlenen vanwege ziekte.
Het hof oordeelde dat appellante de vordering niet had vermeld op de schuldenlijst en onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij te goeder trouw was. Haar gebrek aan medewerking en het niet onderbouwen van haar stellingen met stukken waren voor rekening en risico van appellante. Het hof bekrachtigde daarom het vonnis van de rechtbank en bevestigde de beëindiging van de schuldsaneringsregeling.
Uitkomst: De tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling van appellante wordt bekrachtigd wegens niet-melding van een substantiële vordering en onvoldoende medewerking.