ECLI:NL:GHAMS:2010:BN8634
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- E.A.G. van der Ouderaa
- J. den Boer
- H.E. Kostense
- Rechtspraak.nl
Bevestiging dat toekenning van opties op cumulatief preferente aandelen niet tot aftrek leidt wegens ontbreken reële waarde en toepassing fraus legis
In deze zaak stond centraal of de toekenning van opties op cumulatief preferente aandelen aan werknemers van [A BV] in aftrek mocht worden gebracht bij de vennootschapsbelasting. De opties betroffen rechten op aandelen die pas na uitoefening en uitgifte meedelen in de winst, met een preferent dividend van 7%, en waren toegekend aan zeven werknemers.
De rechtbank had geoordeeld dat de optierechten geen zelfstandige waarde hadden en geen loon vormden, waardoor aftrek niet aan de orde was. Het Hof liet de oordelen van de rechtbank in het midden maar ging ervan uit dat de opties in beginsel enige waarde konden vertegenwoordigen en als loon moesten worden aangemerkt.
Het Hof oordeelde dat het forfaitaire waarderingsvoorschrift uit de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 niet van toepassing was op deze opties, omdat deze zich wezenlijk onderscheiden van de aandelen waarop het forfait is gebaseerd. De waarde in het economische verkeer van de opties werd als nihil vastgesteld, mede vanwege de onzekerheden en de lange looptijd. Tevens mocht de inspecteur zich terecht beroepen op fraus legis, omdat het voornaamste doel van de regeling was het creëren van een fiscale aftrekpost zonder dat de opties daadwerkelijk werden uitgeoefend of waarde hadden.
Daarnaast oordeelde het Hof dat de verklaringen van oud-werknemers die onrechtmatig waren verkregen, buiten beschouwing moesten blijven. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De inspecteur handhaafde de aanslag vennootschapsbelasting met een belastbaar bedrag van € 372.272 voor het jaar 2002.
Uitkomst: Het Hof bevestigt dat de toekenning van opties geen aftrek oplevert omdat de waarde nihil is en de inspecteur terecht fraus legis toepast.