ECLI:NL:GHAMS:2010:BN7825
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toepassing artikel 7:230a BW op huurovereenkomst bedrijfsruimte met gedeeltelijk woongebruik
In deze zaak stond centraal of de huurovereenkomst tussen appellant en Stichting Ymere moest worden gekwalificeerd als huur van woonruimte of bedrijfsruimte. De appellant stelde dat hij woonruimte had gehuurd, terwijl Ymere en de kantonrechter oordeelden dat het pand als bedrijfsruimte diende te worden aangemerkt.
De kantonrechter had vastgesteld dat het gehuurde, hoewel deels als woonruimte gebruikt, in overwegende mate als bedrijfsruimte werd gebruikt, mede gebaseerd op een descente en de inrichting van het pand. De appellant voerde aan dat hij al vanaf 1995 woonruimte gebruikte en dat een scheiding tussen woon- en bedrijfsruimte eenvoudig mogelijk was, maar deze stellingen werden onvoldoende gemotiveerd en verworpen.
Het hof bevestigde dat slechts één huurregime van toepassing kan zijn en dat het gehuurde in zijn geheel als bedrijfsruimte moet worden beschouwd volgens artikel 7:230a BW. Ook het beroep op stilzwijgende toestemming voor bestemmingswijziging faalde. Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter en veroordeelde appellant tot ontruiming en kostenbetaling.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat het pand als bedrijfsruimte valt onder artikel 7:230a BW en veroordeelt appellant tot ontruiming en kostenbetaling.