ECLI:NL:GHAMS:2010:BN1356
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake beëindiging arbeidsovereenkomst en aansprakelijkheid werkgever bij burn-out werknemer
Werknemer [B] was sinds 1960 in dienst bij ABN AMRO en viel in 1999 uit wegens burn-out klachten. Hij vorderde schadevergoeding wegens vermeende tekortkomingen van ABN AMRO in de zorgplicht en het niet nastreven van werkhervatting. De arbeidsovereenkomst eindigde conform de VUT-regeling toen hij de VUT-leeftijd bereikte in 2004.
De kantonrechter wees de vorderingen af, onder meer omdat het verjaringsverweer van ABN AMRO deels werd gehonoreerd en omdat geen verwijtbaar handelen van de werkgever was vastgesteld. In hoger beroep voerde [B] aan dat ABN AMRO onzorgvuldig had gehandeld, onder meer door onterechte overplaatsing, onvoldoende ondersteuning, onrechtmatige stopzetting van salaris en het zonder overleg toepassen van de VUT-regeling.
Het hof oordeelde dat ABN AMRO niet tekortgeschoten is in haar zorgplicht, dat de werknemer zelf niet had gestreefd naar werkhervatting maar juist naar beëindiging van de arbeidsovereenkomst, en dat de stopzetting van salaris gerechtvaardigd was op basis van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. Ook het beëindigen van de arbeidsovereenkomst volgens de cao was rechtmatig. De grieven van [B] faalden, het hof bekrachtigde het vonnis en veroordeelde [B] in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de vordering van werknemer af wegens ontbreken van verwijtbaarheid van werkgever.