ECLI:NL:GHAMS:2010:BM9543
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herinvesteringsreserve bij verkoop en herinvestering bedrijfspanden
Belanghebbende, onderdeel van een fiscale eenheid, verkocht in december 2000 bedrijfspanden die tot dan toe voor eigen gebruik werden ingezet. De levering vond plaats op 28 februari 2001. Belanghebbende vormde een herinvesteringsreserve (HIR) over de gerealiseerde boekwinst en boekte deze af op een in april 2001 aangekocht bedrijfsverzamelgebouw met een beleggingsfunctie.
De inspecteur weigerde de HIR te erkennen omdat het vervangende pand een andere economische functie had dan de verkochte panden. Ook stelde de inspecteur dat de panden vanaf december 2000 geen bedrijfsmiddel meer waren vanwege de verkoop- en huurovereenkomst.
Het Hof oordeelde dat de panden hun karakter als bedrijfsmiddel behielden tot de levering en dat belanghebbende gerechtigd was een HIR te vormen. Het verschil in economische functie tussen de panden en het vervangende gebouw stond hieraan niet in de weg, mede omdat belanghebbende ultimo 2001 een herinvesteringsvoornemen had. Het beroep van de inspecteur werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Daarnaast wees het Hof het verzoek van belanghebbende tot vergoeding van gemaakte proceskosten deels toe, conform het toepasselijke Besluit proceskosten bestuursrecht. De inspecteur werd veroordeeld tot vergoeding van € 966 aan proceskosten en een griffierecht van € 448 werd opgelegd.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat belanghebbende een herinvesteringsreserve mag vormen en afboeken op een vervangend pand, en verklaart het hoger beroep van de inspecteur ongegrond.