ECLI:NL:GHAMS:2010:BM4225
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake gelijke behandeling bij voorlopige teruggaaf algemene heffingskorting AOW-gerechtigden
Belanghebbende, die in 2005 65 jaar werd en vanaf mei 2005 een AOW-uitkering ontving, kreeg een teruggaaf van € 95 aan algemene heffingskorting, terwijl anderen die een voorlopige teruggaaf hadden aangevraagd een hogere teruggaaf van € 631 ontvingen. De rechtbank stelde belanghebbende in het gelijk en oordeelde dat sprake was van ongelijke behandeling in strijd met het gelijkheidsbeginsel uit het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).
In hoger beroep stelde de inspecteur dat de wetgever binnen zijn ruime beoordelingsvrijheid een objectieve en redelijke rechtvaardiging heeft voor deze ongelijke behandeling. De wetgever heeft namelijk beoogd tijdelijke negatieve inkomenseffecten te voorkomen door aan vroege aanvragers een voorlopige teruggaaf toe te kennen zonder correctie via een aanslag, terwijl latere aanvragers via een aanslag worden gecorrigeerd.
Het Hof bevestigde dat deze keuze niet van redelijke grond ontbloot is en dat de wetgever een legitiem belang heeft gediend. Daarom vernietigde het Hof het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond en bekrachtigde de aanslag van de inspecteur. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de inspecteur wordt gegrond verklaard en de aanslag van de inspecteur wordt bekrachtigd.