ECLI:NL:GHAMS:2010:BL7576
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- A. Bijlsma
- B.A. van Brummelen
- M.J. Kuiper
- Rechtspraak.nl
Bevestiging aansprakelijkheid en weigering kwijtschelding douaneschuld en omzetbelasting
Belanghebbende werd geconfronteerd met een uitnodiging tot betaling van douanerechten en omzetbelasting wegens onttrekking van goederen aan het douanetoezicht tijdens extern communautair douanevervoer. Na afwijzing van bezwaar door de inspecteur stelde belanghebbende beroep in bij de rechtbank, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde belanghebbende hoger beroep in bij de Douanekamer van het Gerechtshof Amsterdam.
De kern van het geschil betrof de vraag of belanghebbende terecht als douaneschuldenaar was aangemerkt en of hij recht had op kwijtschelding van de geheven bedragen op grond van artikel 239 van Pro het Communautair douanewetboek (CDW). De feiten wezen uit dat het TIR-carnet niet de goederen volgde naar de bestemming en dat de goederen onttrokken waren aan het douanetoezicht, waardoor een douaneschuld was ontstaan.
De Douanekamer oordeelde dat belanghebbende als aangever ook aansprakelijk was voor de douaneschuld, ongeacht schuld of verwijtbaarheid. Het beroep op het niet waarschuwen door de douane werd verworpen op basis van jurisprudentie van het Hof van Justitie. Tevens werd het verzoek om het bezwaarschrift aan te merken als verzoek tot kwijtschelding afgewezen omdat het bezwaarschrift dit niet inhield. De Douanekamer bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep ongegrond.
De uitspraak bevatte tevens een toelichting op de toepasselijke wettelijke bepalingen uit het CDW en de Wet op de omzetbelasting 1968, en benadrukte dat de omzetbelastingschuld gelijktijdig met de douaneschuld is ontstaan. Kosten werden niet aan de inspecteur toegewezen. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 11 maart 2010.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aansprakelijkheid van belanghebbende voor de douaneschuld en omzetbelasting wordt bevestigd.