ECLI:NL:GHAMS:2009:BL8969
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen verplichting woningcorporatie tot huurverlaging voor tweede generatie Molukker
In deze civiele zaak vordert appellant [M], een huurder van woningcorporatie [P], toegelaten te worden tot de groep eerste generatie Molukse huurders die een speciale huurkorting ontvangen. Deze korting is historisch bepaald en geldt voor huurders die als KNIL-militairen op dienstbevel naar Nederland zijn gekomen. [M] behoort niet tot deze groep volgens de criteria van de Molukse Raad, omdat hij niet als KNIL-militair diende maar als lid van de Gouvernementsmarine.
De rechtbank wees de vordering af, en in hoger beroep bevestigt het hof dit oordeel. Het hof stelt vast dat [P] niet verplicht is tot huurverlaging en dat het onderscheid dat [P] maakt op basis van de criteria van de Molukse Raad geen verboden onderscheid vormt in de zin van de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb). Het hof oordeelt dat het onderscheid niet valt onder het begrip burgerlijke staat en dat er geen sprake is van indirect onderscheid.
Het bewijsaanbod van [M] wordt als niet relevant verworpen. Het hoger beroep wordt afgewezen en [M] wordt veroordeeld in de proceskosten. Hiermee blijft de speciale huurkorting beperkt tot de eerste generatie Molukkers die volgens de afgesproken criteria in aanmerking komen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de woningcorporatie is niet verplicht tot huurverlaging voor tweede generatie Molukker.