ECLI:NL:GHAMS:2009:BL5988
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging naheffingsaanslag loonbelasting wegens privaatrechtelijke dienstbetrekking
Belanghebbende, een houdstervennootschap, werd geconfronteerd met een naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen (LB/PVV) vanwege de werkzaamheden van D, die deze verrichtte via E BV. De kern van het geschil was of D in een privaatrechtelijke dienstbetrekking stond tot belanghebbende en of de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende was opgelegd.
Het hof oordeelde dat D zijn werkzaamheden feitelijk in dienstbetrekking verrichtte, gezien de gezagsverhouding, de verplichting tot persoonlijke arbeid en het vaste loon. Ondanks dat de werkzaamheden via E BV werden gefactureerd en D enige vrijheid had in werktijden en uitvoering, was er sprake van een gezagsverhouding en vaste afspraken die kenmerkend zijn voor een dienstbetrekking.
Verder werd geoordeeld dat de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende was opgelegd, ook al had D onjuiste informatie verstrekt en werd de belasting niet ingehouden. Het hof verwierp het beroep op artikel 20, tweede lid, tweede volzin, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen dat de aanslag aan D had moeten worden opgelegd.
De vaststellingsovereenkomst tussen belanghebbende en de inspecteur, waarbij de naheffingsaanslag onder het fiscale nummer van belanghebbende werd afgehandeld, werd als bindend beschouwd. Het hof bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank en wees het beroep van belanghebbende af.
Uitkomst: De naheffingsaanslag loonbelasting is terecht aan belanghebbende opgelegd wegens de privaatrechtelijke dienstbetrekking van D.