ECLI:NL:GHAMS:2009:BL1974
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- A. Bockwinkel
- R.H. de Bock
- P.J. Duinkerken
- Rechtspraak.nl
Afwijzing toelating wettelijke schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan bewijs van te goeder trouw ontstaan schulden
Appellant X heeft bij de rechtbank en vervolgens in hoger beroep verzocht om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechtbank wees het verzoek af omdat het merendeel van de schulden was ontstaan door overbesteding, waarbij appellant wist of had moeten weten dat hij deze niet kon betalen. Ook was onvoldoende aannemelijk dat appellant te goeder trouw was bij het ontstaan van de schulden.
In hoger beroep heeft appellant betwist dat zijn schulden niet te goeder trouw zijn ontstaan. Hij stelde dat leningen zijn gebruikt voor vaste lasten en medische kosten, en dat hij sinds enige tijd via inhoudingen op zijn uitkering schulden aflost. Het hof oordeelde echter dat appellant onvoldoende bewijs heeft geleverd over de ontstaansdatum, aard en noodzaak van de schulden en zijn financiële situatie destijds. Ook bleef onduidelijk hoe grote schulden aan vaste lasten konden zijn ontstaan.
Het hof concludeerde dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij te goeder trouw was bij het aangaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die toelating tot de schuldsaneringsregeling rechtvaardigen. Daarom werd de beslissing van de rechtbank bekrachtigd en het verzoek afgewezen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende bewijs van te goeder trouw ontstaan van schulden.