ECLI:NL:GHAMS:2009:BK8685
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- P.H. van Ginkel
- R.A. Dozy
- G. de Groot
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over onrechtmatig handelen politie bij onvoldoende opsporingsonderzoek na aangiften
Appellant heeft tussen 1988 en 2002 meerdere aangiften gedaan bij het Regionaal Politiekorps Utrecht wegens mishandelingen, vernielingen en diefstallen. Ondanks deze aangiften leidde dit niet tot strafrechtelijke vervolgingen of veroordelingen. Na een ernstig incident in 2001 verhuisde appellant met zijn gezin naar een andere woonplaats.
In eerste aanleg wees de rechtbank de vorderingen van appellant af, zonder het verjaringverweer te behandelen. In hoger beroep staat centraal of de vorderingen verjaard zijn en of het politieoptreden onrechtmatig was. Het hof oordeelt dat de verjaring is gestuit door een brief van 20 januari 2005, waardoor alleen de aangiften na 20 januari 2000 in aanmerking komen.
Het hof stelt dat appellant van de politie mag verwachten dat zij serieus opsporingsonderzoek verricht. Voor sommige aangiften zijn onvoldoende concrete feiten gesteld om een opsporingsverplichting te rechtvaardigen. Voor andere aangiften, waarbij getuigen of mogelijke daders zijn genoemd, vraagt het hof nadere inlichtingen over de verrichte opsporingshandelingen. De zaak wordt aangehouden voor een comparitie om nadere informatie te verkrijgen en te onderzoeken of een minnelijke regeling mogelijk is.
Uitkomst: Het hof houdt de zaak aan voor een comparitie om nadere inlichtingen te verkrijgen en een mogelijke minnelijke regeling te onderzoeken.