ECLI:NL:GHAMS:2009:BK7941
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bewijs en procesrechtelijke aspecten in zaak lekken politie-informatie en gebruik technisch hulpmiddel
In deze strafzaak staat de verdenking centraal dat de verdachten betrokken zijn bij het opzettelijk lekken van vertrouwelijke politie-informatie naar het criminele milieu. Het onderzoek, bekend als het Vancouver-onderzoek, omvatte onder meer heimelijk afgeluisterde telefoongesprekken, het gebruik van een technisch hulpmiddel voor het opnemen van vertrouwelijke communicatie, en een intern politieonderzoek (het Amandel-onderzoek).
De verdediging voerde meerdere verweren aan, waaronder het ontbreken van een voldoende verdenking, schendingen van het verschoningsrecht van de raadsman, misbruik van bevoegdheid door de officier van justitie, en onrechtmatigheden bij het gebruik van het technische hulpmiddel. Het hof oordeelde dat de met het technische hulpmiddel opgenomen communicatie vanwege tekortkomingen in het apparaat niet als bewijs mag worden gebruikt. Daarnaast werden schendingen van wettelijke voorschriften vastgesteld, maar deze leidden niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.
Verder werd de positie van de raadsman als getuige besproken, waarbij het hof het verschoningsrecht respecteerde en oordeelde dat de verdediging niet onaanvaardbaar was belemmerd. De zaak bevatte ook discussie over het lekken van informatie naar de pers en de reputatieschade van de raadsman. Uiteindelijk sprak het hof de verdachte vrij van de ten laste gelegde feiten wegens onvoldoende bewijs en gebrekkige bewijsvoering.
Uitkomst: Het gerechtshof sprak de verdachte vrij wegens onvoldoende bewijs en bewijsuitsluiting van met technisch hulpmiddel opgenomen communicatie.