ECLI:NL:GHAMS:2009:BK0747
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Overeenkomsten van dading tussen familieleden aangemerkt als schenking uit vrijgevigheid
In deze zaak staat centraal of de betalingen van ƒ 2.000.000 aan elk van de vijf dochters door hun vader moeten worden beschouwd als belastbare schenkingen. De vader had het [B]complex gekocht met zijn dochters, die via optierechten op aandelen in een op te richten vennootschap zouden participeren. Deze optierechten zijn echter nooit geëffectueerd doordat de vennootschap het complex niet heeft verworven.
De rechtbank had geoordeeld dat de vader door de dadingsovereenkomsten was verarmd en de dochters waren verrijkt, en dat de betalingen uit vrijgevigheid waren gedaan. De dochters stelden dat zij geen afstand hadden gedaan van hun rechten en schade hadden geleden, maar dit werd door de rechtbank en het hof verworpen. Het hof concludeerde dat de betalingen een bevoordeling uit vrijgevigheid vormden en dus als schenking kwalificeren.
Het hof benadrukte dat er geen juridisch afdwingbare verplichting bestond voor de vader om de verkoopopbrengst te delen en dat de dochters geen tegenprestatie hadden geleverd voor de optierechten. De betalingen waren een uitdrukking van familiale vrijgevigheid. De uitspraak van de rechtbank werd daarmee bevestigd en de aanslagen schenkingsrecht werden gehandhaafd.
Uitkomst: De betalingen van de vader aan zijn dochters worden aangemerkt als belastbare schenkingen uit vrijgevigheid.