ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ3443
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake recht op kinderbijslag en aftrek levensonderhoud volgens Wet IB 2001
Belanghebbende heeft voor het jaar 2004 aftrek van kosten voor levensonderhoud van zijn zoon A gevorderd bij de inkomstenbelasting. De inspecteur wees dit af omdat belanghebbende geen recht had op kinderbijslag, omdat hij dit niet tijdig had aangevraagd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het recht op kinderbijslag bestond, maar niet was geëffectueerd.
In hoger beroep voerde belanghebbende aan dat de uitspraak van de inspecteur en rechtbank motiveringsgebreken vertoonden en deed een beroep op de hardheidsclausule (artikel 63 AWR Pro) en twee besluiten van de staatssecretaris van Financiën. Het Hof oordeelde dat belanghebbende recht had op kinderbijslag en dat de situatie niet vergelijkbaar was met de in de besluiten genoemde uitzonderingen. Het beroep op de hardheidsclausule kon niet leiden tot een gunstige beslissing.
Het Hof bevestigde dat uitgaven voor levensonderhoud van een kind niet in aanmerking worden genomen indien recht op kinderbijslag bestaat volgens artikel 6.14 Wet IB 2001. De procedurekosten werden niet toegewezen. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het beroep ongegrond verklaard.
De procedure doorliep bezwaar, beroep bij de rechtbank en hoger beroep bij het Hof. Tijdens de zitting op 9 maart 2009 werden de standpunten van partijen besproken. Het Hof benadrukte dat het enkel niet tijdig aanvragen van kinderbijslag geen bijzondere omstandigheid vormt om af te wijken van de wettelijke regels.
De beslissing werd op 25 juni 2009 in het openbaar uitgesproken door het Gerechtshof Amsterdam, belastingkamer.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en het recht op aftrek van kosten levensonderhoud wordt afgewezen omdat hij recht had op kinderbijslag.