ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1327

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
2 juli 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/00021 t/m 08/00024
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:42 AwbArt. 8:31 AwbArt. 8:75 AwbArt. 27q AWRArt. 27e AWR
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep in belastingzaak terugverwezen wegens ontbreken stukken en procedurele tekortkomingen

De inspecteur legde navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en een naheffingsaanslag omzetbelasting met boete op aan belanghebbende over de jaren 2001 tot en met 2004. De rechtbank had de navorderingsaanslagen verminderd, maar deed geen uitspraak over de naheffingsaanslag omzetbelasting en de vergrijpboete. Belanghebbende ging in hoger beroep tegen deze uitspraak, waarna het Hof de zaak behandelde.

Het Hof constateerde dat de inspecteur niet had voldaan aan de verplichting uit artikel 8:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht om alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank te zenden. Essentiële stukken zoals aangiftebiljetten, jaarstukken en correspondentie ontbraken, waardoor het Hof geen inhoudelijke beoordeling kon maken.

Gezien het ontbreken van deze stukken en het feit dat de rechtbank geen beslissing had genomen over de naheffingsaanslag omzetbelasting en de vergrijpboete, en belanghebbende nadrukkelijk had verzocht om terugwijzing, besloot het Hof de zaak terug te wijzen naar de rechtbank voor een volledige nieuwe behandeling.

Het Hof wees erop dat indien de inspecteur de ontbrekende stukken niet alsnog aan de rechtbank verstrekt, de rechtbank op grond van artikel 8:31 Awb Pro daaruit gevolgtrekkingen kan maken. Tevens veroordeelde het Hof de inspecteur tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende en het griffierecht.

De uitspraak werd gedaan door de vierde meervoudige belastingkamer van het Gerechtshof Amsterdam op 2 juli 2009.

Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank voor een volledige nieuwe behandeling wegens ontbreken van stukken en procedurele tekortkomingen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerken P08/00021 tot en met 08/00024
2 juli 2009
uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] te [Z], belanghebbende,
gemachtigde mr. F.A. Geevers,
en het incidenteel hoger beroep van
de inspecteur van de Belastingdienst/Utrecht-Gooi/kantoor Utrecht,
de inspecteur,
tegen de mondelinge uitspraak in de zaken met de nummers 07/3378, 07/3380, 07/3382 en 07/4944 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur.
1. Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft met dagtekening 28 december 2006 aan belanghebbende voor het jaar 2001 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.336 en voor het jaar 2002 een navorderingsaanslag IB/PVV berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.457.
De inspecteur heeft met dagtekening 10 november 2006 aan belanghebbende voor het jaar 2003 een navorderingsaanslag opgelegd in de IB/PVV berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.767.
De inspecteur heeft met dagtekening 28 december 2006 aan belanghebbende voor het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004 een naheffingsaanslag omzetbelasting (OB) opgelegd van € 11.815 en bij beschikking een boete van 25% van dit bedrag.
Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraken, gedagtekend 3 april 2007, de navorderingsaanslagen IB/PVV gehandhaafd, en bij uitspraak, gedagtekend 8 juni 2007, de naheffingsaanslag OB en boetebeschikking gehandhaafd.
Bij mondelinge uitspraak van 5 december 2007, heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraak (van de inspecteur vernietigd) en de navorderingsaanslagen IB/PVV verminderd tot navorderingsaanslagen berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning over 2001 tot en met 2003 van achtereenvolgens € 15.336, € 10.457 en € 4.768. De rechtbank heeft geen uitspraak gedaan met betrekking tot de OB en de boete.
Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 9 januari 2008, aangevuld bij brieven van 11 januari en 8 april 2008. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft het incidenteel hoger beroep bij brief van 23 juni 2008 beantwoord.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2009. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
Voorafgaande aan deze zitting, op 2 juni 2009, heeft de gemachtigde een aanvullend stuk ingezonden waarvan de inspecteur een afschrift heeft ontvangen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 8:42, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient de inspecteur de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank te zenden. Door de inspecteur zijn uitsluitend kopieën van aanslaggegevens, het controlerapport, bezwaarschriften en (voornemens tot) uitspraken op bezwaar aan de rechtbank gezonden.
2.2. Zowel in beroep als in hoger beroep en incidenteel hoger beroep is in geschil of de belastingaanslagen terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. In het bijzonder twisten partijen over de vraag of belanghebbende in de onderhavige jaren heeft voldaan aan de administratie- en bewaarplicht als bedoeld in artikel 52 van Pro de Algemene wet inzake Rijksbelastingen (AWR), en, zo nee, of ingevolge artikel 27e AWR de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard en de naheffingsaanslag en de navorderingsaanslagen alsdan berusten op een redelijke schatting. Voorts is de juistheid van de vergrijpboete in geschil.
2.3. Het Hof is niet in staat hierin een beoordeling te maken omdat de op de zaak betrekking hebbende stukken, zoals kopieën van aangiftebiljetten, de jaarstukken en de hierover door partijen gevoerde correspondentie en gebruikte informatie van derden, en daarmee de voor een beoordeling van het geschil wezenlijk van belang zijnde feiten, voor een belangrijk deel ontbreken.
2.4. In de omstandigheden dat de inspecteur niet heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 8:42, eerste lid, van de Awb, de rechtbank geen beslissing heeft gegeven over de naheffingsaanslag omzetbelasting en de opgelegde vergrijpboete en belanghebbende nadrukkelijk de voorkeur heeft uitgesproken voor terugwijzing naar de rechtbank vindt het Hof aanleiding de zaak op de voet van artikel 27q, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de AWR terug te wijzen naar de rechtbank voor een nieuwe behandeling in volle omvang.
2.5. Hierbij wijst het Hof erop dat als de inspecteur niet de op de zaak betrekking hebbende stukken alsnog aan de rechtbank zendt, de rechtbank op grond van artikel 8:31 Awb Pro daaruit de gevolgtrekkingen kan maken die haar geraden voorkomen.
2.6. De slotsom is dat het Hof aan een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep niet toekomt. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd.
2.7. Belanghebbende heeft recht op vergoeding van het ter zake van het hoger beroep geheven griffierecht en vergoeding van kosten voor de behandeling bij het Hof op de voet van artikel 8:75 van Pro de Awb. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt die vergoeding gesteld op € 966 = 3 (hogerberoepschrift, beantwoording incidenteel hoger beroep en zitting) x € 322 x 1 (wegingsfactor) voor rechtsbijstand.
3. Beslissingen
Het Hof:
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
- veroordeelt de inspecteur in de kosten van belanghebbende voor de behandeling bij het Hof tot een bedrag van € 966, te voldoen aan de griffier van het Hof;
- gelast dat de inspecteur aan belanghebbende vergoedt het door deze voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht van (€ 106 + € 214 =) € 320;
- wijst de zaken ter verdere behandeling en beslissing met inachtneming van deze uitspraak terug naar de rechtbank Haarlem; en
- draagt de griffier op na het onherroepelijk worden van deze uitspraak het gehele dossier met een afschrift van deze uitspraak te zenden aan de rechtbank Haarlem.
De uitspraak is gedaan door mrs. J.P.A. Boersma, voorzitter, F.J.P.M. Haas en J.W. Zwemmer, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Couperus, als griffier. De beslissing is op 2 juli 2009 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1.. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.