ECLI:NL:GHAMS:2009:BH0142
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- O.B. Onnes
- P.M.F. van Loon
- I.J.F.A. van Vijfeijken
- Rechtspraak.nl
Hof bevestigt heffing successierecht bij renteafspraak afwijkend van testamentaire rente
De erflater had in zijn testament een ouderlijke boedelverdeling opgenomen waarbij overbedelingsvorderingen renteloos waren gesteld. Binnen de aangiftetermijn sloten de langstlevende echtgenote en de kinderen een overeenkomst waarbij een samengestelde rente van 6% werd afgesproken. De inspecteur kwalificeerde deze afspraak als schenking en legde aanslagen schenkingsrecht op.
De rechtbank had de aanslagen vernietigd en oordeelde dat de overeenkomst niet als schenking kon worden aangemerkt omdat het testament een renteloze regeling bevatte en het nieuwe erfrecht dit mogelijk maakte. Het Hof herzag dit oordeel en stelde dat artikel 4:13, vierde lid, BW zo gelezen moet worden dat afwijking van de wettelijke rente kan plaatsvinden door de erflater bij testament of door echtgenoot en kind samen. De overeenkomst betrof echter niet de wettelijke rente maar de testamentaire rente, waardoor artikel 1, tweede lid, SW niet van toepassing is.
Het Hof concludeerde dat de aanslagen terecht zijn opgelegd en vernietigde het vonnis van de rechtbank. De parlementaire geschiedenis ondersteunt volgens het Hof niet dat men binnen de aangiftetermijn herhaaldelijk de renteafspraak kan wijzigen indien het testament een rente bevat. De uitspraak bevestigt dat testamentaire bepalingen over rente bepalend zijn voor de fiscale kwalificatie.
Uitkomst: Het Hof bevestigt de aanslagen schenkingsrecht en vernietigt het vonnis van de rechtbank.