ECLI:NL:GHAMS:2008:BD7995
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- P.F. Goes
- E.A.G. van der Ouderaa
- J.W. Zwemmer
- Rechtspraak.nl
Geen kwalificatie van stamrechtaanspraak als vervanging van loon volgens Wet LB 1964
Belanghebbende was in de periode voorafgaand aan de oprichting van [A] B.V. werkzaam voor deze vennootschap in oprichting en ontving daarvoor een vergoeding die hij als adequaat beschouwde. Na oprichting van de vennootschap werd een stamrechtovereenkomst gesloten waarin een aanspraak op periodieke uitkeringen werd toegekend ter compensatie van het gemis aan pensioenopbouw in de voorperiode.
De inspecteur legde een aanslag op en wees het bezwaar af, waarna belanghebbende hoger beroep instelde. Het geschil betrof de vraag of de toegekende aanspraak kwalificeert als een stamrecht in de zin van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet LB 1964, en daarmee als vervanging van gederfd of te derven loon kan worden aangemerkt.
Het Hof stelde vast dat de aanspraak voortvloeit uit de dienstbetrekking en kwalificeert als loon, maar dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van vervanging van loon. De vergoeding in de voorperiode was adequaat en de aanspraak vormt een aanvulling op het loon, geen vervanging. De glijclausule in de stamrechtovereenkomst biedt geen grond voor een andere beoordeling. De waardering van de aanspraak bedraagt € 75.164. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het Hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt dat de aanspraak niet kwalificeert als stamrecht en belast is als loon.