ECLI:NL:GHAMS:2008:BD3672
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen vergrijpboete omzetbelasting wegens vermeende grove schuld
Belanghebbende, een vennootschap onder firma actief in arbeidskundig advies, kreeg een naheffingsaanslag en een vergrijpboete opgelegd wegens niet tijdig voldoen van omzetbelasting over 2001 en 2002. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat sprake was van grove schuld. In hoger beroep stelde belanghebbende dat zij in overleg was met de Belastingdienst over de verschuldigdheid van omzetbelasting en dat een memo van haar gemachtigde verwees naar een gemaakte afspraak.
Het Hof stelde vast dat de inspecteur niet slaagde in de bewijslast dat belanghebbende zelf grove schuld had. Het overleg met de inspecteur en de memo, hoewel niet onomstreden, maakten aannemelijk dat er onzekerheid was over de belastingplicht. Belanghebbende had vanaf 2003 wel correct aangifte gedaan en voldaan. Het Hof oordeelde dat de situatie geen laakbare onachtzaamheid betrof die nodig is voor het opleggen van een vergrijpboete.
Het Hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank en de boetebeschikking, verklaarde het beroep gegrond, veroordeelde de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende en wees de Staat aan dit bedrag te voldoen. Tevens werd het betaalde griffierecht vergoed. Tegen deze uitspraak kan beroep in cassatie worden ingesteld.
Uitkomst: De boetebeschikking wordt vernietigd wegens het ontbreken van grove schuld bij belanghebbende.