Uitspraak
mr. P.C.J. Twaalfhoven,
mr. I.M.C.A. Reinders Folmer.
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak staat de aansprakelijkheid van appellant als bestuurder van Bouw- en Aannemingsbedrijf [X] B.V. centraal voor het boedeltekort in het faillissement van deze vennootschap. De curator vordert op grond van artikel 2:248 lid 1 BW Pro en onrechtmatige daad dat appellant aansprakelijk wordt gesteld wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur.
De rechtbank had vastgesteld dat appellant zijn taak als bestuurder onbehoorlijk heeft vervuld door het te laat publiceren van de jaarrekeningen over 1996 en 1997, waardoor het vermoeden van onbehoorlijk bestuur en de causale relatie met het faillissement ontstond. Appellant betwistte dit en voerde aan dat het verzuim gering was en buiten de relevante termijn viel.
Het hof oordeelt dat het verzuim inderdaad binnen de driejaarstermijn valt en dat appellant kennelijk onbehoorlijk heeft bestuurd. Echter, appellant slaagt erin het bewijsvermoeden te ontzenuwen door aannemelijk te maken dat andere oorzaken, zoals de kosten van procedures en dubieuze debiteuren, belangrijke oorzaken van het faillissement zijn geweest. Het hof gelast daarom een deskundigenbericht om de oorzaken van het faillissement en de rol van appellant nader te onderzoeken.
De zaak wordt aangehouden tot het deskundigenonderzoek is afgerond, waarbij partijen gelegenheid krijgen zich uit te laten over de deskundige en de onderzoeksvragen. Het arrest is gewezen door het hof Amsterdam op 22 november 2007.
Uitkomst: Het hof houdt de zaak aan en gelast een deskundigenbericht om de oorzaken van het faillissement en de rol van appellant nader te onderzoeken.