ECLI:NL:GHAMS:2007:BC2950
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- G.J. Visser
- P.G. Wiewel
- A. Rutten-Roos
- Rechtspraak.nl
Betekenis van afvloeiingsregeling en compensatie overhevelingstoeslag in aanvulling WW-uitkering
De zaak betreft een geschil tussen ABN AMRO en een voormalig werknemer over de wijze waarop de compensatie voor het vervallen van de overhevelingstoeslag verwerkt moet worden in de aanvulling op de WW-uitkering. De werknemer was van 1970 tot 1999 in dienst en ontving na beëindiging van het dienstverband een aanvulling op zijn WW-uitkering, zoals geregeld in een overeenkomst.
De overhevelingstoeslag, oorspronkelijk een toeslag ter compensatie van premieveranderingen, verviel per 1 januari 2001 en werd vervangen door een loonsverhoging. De werknemer stelde dat deze compensatie ook over de aanvulling op de WW-uitkering moest worden betaald, terwijl ABN AMRO dit anders berekende. De kantonrechter oordeelde dat de compensatie volledig ten goede moet komen aan de werknemer en dat de berekening van ABN AMRO onredelijk was.
In hoger beroep bevestigde het hof dit oordeel. Het stelde dat de vorm van compensatie (toeslag of loonsverhoging) niet relevant is, aangezien beide als loon worden beschouwd. De wijziging in de systematiek verandert de verplichting van ABN AMRO niet. Het hof verwierp het beroep van ABN AMRO en bekrachtigde het vonnis, met veroordeling van ABN AMRO in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat ABN AMRO de compensatie voor het vervallen van de overhevelingstoeslag volledig aan de werknemer moet betalen en veroordeelt ABN AMRO in de proceskosten.