ECLI:NL:GHAMS:2007:BA9440

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
12 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
P06/00236
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.7 Wet IB 2001Art. 3.124 Wet IB 2001Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing aftrek lijfrentepremie wegens ontbreken intentie lijfrenteovereenkomst

Belanghebbende sloot in 1998 een verzekering die jaarlijks een premie van €1.206,15 kent en voorziet in een uitkering tussen 2023 en 2033 of bij eerder overlijden. Deze verzekering kwalificeert niet als lijfrente in de zin van artikel 1.7 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Belanghebbende bracht in de aangifte inkomstenbelasting 2003 premies in aftrek als inkomensvoorziening.

Belanghebbende stelde dat er sprake was van een administratieve fout en dat de polis met terugwerkende kracht gecorrigeerd kon worden tot een lijfrenteovereenkomst, zoals mogelijk geacht in een Besluit van 29 november 2001. Hij baseerde dit op interne overzichten en facturen van de verzekeringstussenpersoon en het feit dat premies steeds in aftrek werden gebracht.

De inspecteur betwistte dat deze gegevens objectief controleerbaar zijn en dat zij de intentie van beide partijen bij het sluiten van de overeenkomst aantonen. Het hof oordeelde dat de bewijslast bij belanghebbende ligt en dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de intentie bestond een lijfrenteverzekering te sluiten. De overgelegde documenten en verklaringen waren onvoldoende bewijs.

Ook een beroep op het gelijkheidsbeginsel werd verworpen omdat belanghebbende geen vergelijkbare gevallen aannemelijk had gemaakt. Het hof bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank Haarlem en wees het beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hof bevestigt dat de verzekering geen lijfrenteovereenkomst is en wijst het beroep van belanghebbende af.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM
Kenmerk 06/00236
tweede meervoudige belastingkamer
proces-verbaal
van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep van
X te Y, belanghebbende,
tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 05/4208 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) van 12 mei 2006 in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst P, de inspecteur.
Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 26 februari 2007.
Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Gronden
1. In 1998 heeft belanghebbende een verzekering gesloten bij Zürich Leven. Als tussenpersoon trad op AA Advies. Voor de verzekering wordt jaarlijks een premie betaald van € 1.206,15. De verzekering voorziet in een uitkering ineens in de periode van 2023-2033, dan wel bij eerder overlijden. De verzekering is afkoopbaar en de begunstiging kan worden gewijzigd. De verzekering liep na 1998 door bij Hooge Huys verzekeringen. Inmiddels loopt de verzekering bij Reaal Levensverzekeringen.
2. In verband met de verzekering heeft belanghebbende in de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2003 met toepassing van artikel 3.124 Wet op de inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001), een bedrag van € 1.210,- als uitgaven voor inkomensvoorziening in de vorm van een lijfrente in aanmerking genomen. Niet in geschil is dat de verzekering als zodanig niet kwalificeert als lijfrente in de zin van artikel 1.7, eerste lid, van de Wet IB 2001.
3. In het van het Besluit van de Staatssecretaris van 29 november 2001, nr. CPP2001/1680M (hierna: het Besluit) is voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
“ Herstel administratieve fout met terugwerkende kracht mogelijk?
Vraag
Wanneer ten gevolge van een administratieve fout een polis niet strookt met de bedoeling van partijen is dan wijziging van de polis met terugwerkende kracht mogelijk?
Antwoord
Indien op grond van feiten en omstandigheden - bij voorbeeld een aanvraagformulier, een offerte, de hoogte van de betaalde premies en dergelijke - aannemelijk is dat een polis niet strookt met de bedoeling van partijen, bijvoorbeeld omdat de verzekeringsmaatschappij een administratieve fout heeft gemaakt, dan is correctie mogelijk. De polis wordt dan geacht met inachtneming van die correctie te zijn opgemaakt vanaf het tijdstip van sluiten van de overeenkomst. (...)”
4. Belanghebbende stelt dat het van het begin af aan de bedoeling is geweest een lijfrentepolis te sluiten en dat er sprake is van een administratieve fout. Deze administratieve fout zou volgens belanghebbende gecorrigeerd kunnen worden met een beroep op bovenvermelde passage in het Besluit. De polis wordt dan geacht te zijn opgemaakt met inachtneming van de correctie. Met terugwerkende kracht is dan alsnog sprake van een lijfrenteovereenkomst in de zin van artikel 1.7 Wet IB 2001. De intentie om een lijfrenteverzekering te sluiten blijkt volgens belanghebbende uit het feit dat de verzekering in het systeem van de verzekeringstussenpersoon als lijfrente is opgenomen. Een en ander zou blijken uit overzichten die belanghebbende uit het systeem van de verzekeringstussenpersoon heeft ontvangen en uit rekeningen van de verzekeringstussenpersoon. Tot de gedingstukken behoren kopieën van deze stukken uit het jaar 2005. Bovendien blijkt de intentie volgens belastingplichtige tevens uit het feit dat de premie in de aangiften inkomstenbelasting steeds in aftrek is gebracht.
5. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de feiten en omstandigheden welke door belanghebbende zijn aangevoerd geen informatie geven over de intentie van beide partijen ten tijde van het aangaan van de overeenkomst. Voor zover zij wel informatie hierover geven zijn zij niet objectief controleerbaar. De namens belanghebbende aangevoerde punten zijn dan ook niet vergelijkbaar met de in het Besluit gegeven voorbeelden.
6. Het Hof is van oordeel dat op belanghebbende de bewijslast rust aannemelijk te maken dat hij destijds de intentie had een lijfrenteverzekering af te sluiten. Belanghebbende dient dit te doen op basis van objectief controleerbare gegevens waaruit de intentie blijkt op het moment van sluiten van de overeenkomst. Het door belanghebbende verklaarde en de verklaring van de gemachtigde zijn daartoe naar het oordeel van het Hof onvoldoende objectief controleerbaar. Het door belanghebbende overlegde overzicht uit het systeem van de verzekeringstussenpersoon en de rekening van de verzekeringstussenpersoon hebben naar het oordeel van het Hof onvoldoende bewijskracht omtrent de intentie en meer specifiek omtrent de intentie ten tijde van het sluiten van de overeenkomst. Ook blijkt die intentie niet uit het aanvraagformulier of uit een aan belanghebbende gedane offerte. Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende er derhalve niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij ten tijde van het sluiten van de verzekering de intentie had een lijfrenteovereenkomst te sluiten.
7. Belanghebbende beroept zich op het gelijkheidsbeginsel. Het beroep van belanghebbende kan alleen dan slagen als aannemelijk is dat de inspecteur in vergelijkbare gevallen de juiste toepassing van het Besluit achterwege heeft gelaten en deze toepassing berust op door de inspecteur gevoerd beleid of op een oogmerk van begunstiging, dan wel heeft plaats gevonden in de meerderheid van de vergelijkbare gevallen. Ter onderbouwing van zijn beroep heeft belanghebbende verwezen naar één enkel geval dat onder de bevoegdheid van een andere inspecteur is afgedaan. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat het een gelijk geval betrof, zodat reeds om die reden een beroep op het gelijkheidsbeginsel ongegrond is.
8. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het beroep van belanghebbende terecht ongegrond heeft verklaard.
9. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
De mondelinge uitspraak is gedaan door mrs. J.P.A. Boersma, voorzitter, D.B. Bijl en J.W. Zwemmer, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. L.B.M. van Bakel als griffier.
De beslissing is op 12 maart 2007 in het openbaar uitgesproken. Hiervan is dit proces-verbaal opgemaakt, ondertekend door de voorzitter en de griffier.
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt u de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.