ECLI:NL:GHAMS:2007:BA8349
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- M.M.M. Tillema
- J.S.A.M. Schokkenbroek
- A. Rutten-Roos
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep kennelijk onredelijk ontslag wegens bedrijfseconomische redenen zonder afvloeiingsregeling
De werknemer trad in 1989 in dienst als slager en werd in 2005 ontslagen wegens bedrijfseconomische redenen. Het ontslag werd door het CWI goedgekeurd, maar de werknemer vorderde een vergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag. De kantonrechter oordeelde dat het ontslag kennelijk onredelijk was vanwege de ernst van de gevolgen voor de werknemer, zijn leeftijd, lange dienstverband en het ontbreken van een afvloeiingsregeling.
De werkgever ging in hoger beroep en stelde dat de kantonrechter het gevolgencriterium onjuist had toegepast, dat de werknemer onvoldoende had gemotiveerd, dat er wel een aanbod voor een kort dienstverband was gedaan en dat de financiële situatie van de werkgever zwaarwegend was. Het hof stelde vast dat de werknemer al voorafgaand aan de procedure het gevolgencriterium had aangevoerd en dat het ontslag op 31 mei 2005 plaatsvond.
Het hof nam de omstandigheden op dat de werknemer 52 jaar was, ruim 15 jaar in dienst, geringe kansen op de arbeidsmarkt had en aangewezen was op een werkloosheidsuitkering. Het feit dat hij na korte tijd een parttime baan vond, kon op het moment van ontslag niet worden verwacht en mocht niet worden meegewogen. De financiële situatie van de werkgever was onvoldoende onderbouwd om de vergoeding van €25.000 onevenredig te achten.
Het hof verwierp de grief van de werkgever, bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter en veroordeelde de werkgever in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat het ontslag kennelijk onredelijk is en wijst een vergoeding van €25.000 toe.