ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ9240

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
15 juni 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
218/06 KG
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 56 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 63 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingVerordening (EG) nr. 1348/2000
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid hoger beroep bij betekening aan advocaat in Duitsland

In deze zaak is appellant in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de kantonrechter Utrecht in een kort geding tussen Metallit GmbH en appellant. De kern van het geschil betreft de ontvankelijkheid van het hoger beroep, waarbij appellant de appeldagvaarding heeft betekend aan de advocaat van Metallit, gevestigd in Duitsland.

De zaak draait om de toepassing van de EG-betekeningsverordening (Verordening (EG) nr. 1348/2000) en de aanvullende bepalingen in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Volgens artikel 63 lid 1 Rv Pro dient bij betekening aan een partij in een andere lidstaat binnen veertien dagen een afschrift of vertaling van de betekening te worden verzonden aan een ontvangende instantie of rechtstreeks aan de partij. Appellant heeft dit niet gesteld of bewezen.

Het hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de ontvankelijkheid van het hoger beroep en heeft de verdere beslissing aangehouden. De zaak is verwezen naar een rolzitting voor nadere uitlatingen van appellant. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2006.

Uitkomst: De zaak is aangehouden voor nadere uitlatingen over de ontvankelijkheid van het hoger beroep.

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
VIERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER
ARREST
in de zaak van:
[appellant],
wonende te Amersfoort,
APPELLANT,
procureur: mr. Ch.M. de Ruiter,
t e g e n
de vennootschap naar Duits recht METALLIT GMBH SPEZIAL-SCHWEISSTECHNIK FABRIKATION VERTRIEBSERVICE,
gevestigd te Bielefield, Duitsland,
GEÏNTIMEERDE,
procureur: mr. J.W. van Rijswijk.
1. Het geding in hoger beroep
1.1. De partijen worden hierna [appellant] en Metallit genoemd.
1.2. Bij dagvaarding van 25 januari 2006 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank te Utrecht, sector kanton, locatie Amersfoort (hierna: de kantonrechter) van 12 januari 2006, met rolnummer 443548/VV 05-176, in kort geding gewezen tussen Metallit als eiseres en [appellant] als gedaagde.
1.3. [Appellant] heeft bij memorie tien grieven voorgesteld, producties overgelegd en geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vordering van Metallit zal afwijzen, althans het concurrentiebeding waarop de vordering van Metallit betrekking heeft zal matigen, met veroordeling van Metallit in de kosten van het geding in beide instanties.
1.4. Daarop heeft Metallit bij memorie geantwoord, producties overgelegd en geconcludeerd – naar het hof begrijpt - dat het hof primair [appellant] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep en subsidiair het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep.
1.5. Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd op de stukken van beide instanties.
2. Ontvankelijkheid
2.1. [Appellant] heeft op de voet van artikel 63 lid 1 Rv Pro de appeldagvaarding op 25 januari 2006 doen betekenen ten kantore van advocaat en procureur mr. S.W.C. Rijs bij wie Metallit in eerste aanleg woonplaats had gekozen. Volgens de dagvaarding was Metallit op de dag waarop het exploot is uitgebracht, gevestigd in Duitsland. Op de betekening van de appeldagvaarding aan Metallit is dan ook van toepassing de Verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad van 29 mei 2000 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken, PbEG L 160/37 (EG-betekeningsverordening, hierna te noemen: de verordening). Gesteld noch gebleken is dat [appellant] heeft voldaan aan de voorschriften van de verordening zoals uitgewerkt in artikel 56 lid 3 Rv Pro. Dienovereenkomstig dient [appellant] binnen veertien dagen na de voormelde betekening van de appeldagvaarding een afschrift of een vertaling daarvan te hebben verzonden aan een ontvangende instantie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van Pro de verordening ter betekening aan Metallit dan wel bij aangetekende post rechtstreeks aan Metallit.
2.2. Op grond van het voorgaande rijst de door Metallit aan de orde gestelde vraag of [appellant] ontvankelijk is in zijn hoger beroep. Het hof verwijst naar zijn arrest van 25 maart 2004, NJF 2004, 322. Partijen, eerst [appellant] en dan Metallit, zullen in de gelegenheid worden gesteld zich over het antwoord op die vraag bij akte (nader) uit te laten.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
3. Beslissing
Het hof:
verwijst de zaak naar de rolzitting van 29 juni 2006 voor uitlating aan de zijde van [appellant];
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. N. van Lingen, R.J.F. Thiessen en E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2006 door de rolraadsheer.