ECLI:NL:GHAMS:2006:AY7062
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen tuchtrechtelijk laakbaar handelen door gerechtsdeurwaarder ondanks kennelijke verschrijving
Klaagster diende een klacht in tegen een gerechtsdeurwaarder wegens vermeend onrechtmatig gebruik van haar naam in een proces-verbaal en het voortduren van beslaglegging ondanks het ontbreken van een titel op haar naam. De kamer voor gerechtsdeurwaarders verklaarde de klacht ongegrond, waarna klaagster hoger beroep instelde.
Het hof oordeelde dat er sprake was van een kennelijke verschrijving in de naam van klaagster, welke reeds door de gerechtsdeurwaarder was erkend. Ondanks deze verschrijving was het duidelijk dat klaagster de bedoelde persoon was en dat het vonnis en beslaglegging rechtsgeldig waren bekrachtigd. Het hof verklaarde klaagster niet ontvankelijk voor zover het hoger beroep betrekking had op een andere gerechtsdeurwaarder dan degene tegen wie de klacht was gericht.
Het hof bevestigde de beslissing van de kamer dat geen sprake was van tuchtrechtelijk laakbaar handelen. Klachten over het voortduren van beslaglegging en authenticiteit van exploten dienen via de civiele rechter te worden behandeld. De klacht werd als kennelijk ongegrond afgewezen.
Uitkomst: Het hof bevestigt de beslissing dat geen tuchtrechtelijk laakbaar handelen is vastgesteld en wijst het hoger beroep af.