ECLI:NL:GHAMS:2006:AY3871
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- R.J.M. Smit
- J.A.M. de Wit
- J.J.M. Bruinsma
- Rechtspraak.nl
Uitleg facultatief verrekenbeding in huwelijkse voorwaarden bij echtscheiding
Partijen zijn in 1986 op huwelijkse voorwaarden gehuwd met een verrekenbeding in artikel 5 dat Pro bepaalt dat zij jaarlijks kunnen verrekenen wat zij uit hun inkomen hebben overgelegd, waarbij het recht op verdeling vervalt als binnen zes maanden geen regeling wordt getroffen. Na feitelijk uiteengaan in 2002 en echtscheiding in 2004 ontstond een geschil over de uitleg van dit verrekenbeding.
De vrouw verzocht om verrekening van het vermogen van de man per peildatum, terwijl de man stelde dat het beding facultatief was en geen verplichting tot verrekening bestond. De man onderbouwde dit met een brief van de notaris die het beding had opgesteld, waarin werd uitgelegd dat het beding bewust facultatief was om vermogens strikt gescheiden te houden en fiscale problemen te voorkomen.
Het hof overwoog dat de tekst van artikel 5 en Pro de omstandigheden waaronder het beding is opgesteld, waaronder de uitleg door de notaris, wijzen op een facultatief verrekenbeding. De vrouw kon onvoldoende concrete feiten aanvoeren die een andere uitleg rechtvaardigen. Ook de stelling van de vrouw dat het huwelijk traditioneel was en verrekening passend zou zijn, werd verworpen omdat dit niet overeenkomt met de bedoeling bij het sluiten van de huwelijkse voorwaarden.
Het hof vernietigde de bestreden beschikking voor zover deze anders oordeelde, wees het verzoek tot verrekening af en verklaarde voor recht dat partijen niet verplicht zijn tot verrekening op grond van hun huwelijkse voorwaarden. Proceskosten werden gecompenseerd vanwege de status van gewezen echtelieden.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot verrekening af en verklaart dat partijen niet verplicht zijn tot verrekening op grond van hun huwelijkse voorwaarden.